Column

Een tas met boeken

Buiten heerste het witte licht van de hitte, maar in het boekenantiquariaat was het aangenaam schemerig en koel. Ik stond wat te lummelen bij enkele overvolle kasten, zonder iets speciaals te zoeken. Zo vind je soms de aardigste boeken. Er lagen stapels boeken ongeordend op de grond en ook op de schappen was de indeling niet altijd even logisch. Er was vooral véél.

In het midden van de zaak zaten twee mannen op stoelen tegenover elkaar. Uit hun gemoedelijke gesprek begreep ik dat ze beiden in boeken handelden; de een was de eigenaar van de zaak, de ander een collega van een naburige winkel. Het waren wat rommelige types die goed pasten bij het interieur.

Ik wilde de winkel juist verlaten toen een oudere man binnenstapte met een plastic zak vol boeken in zijn hand. Hij droeg verzorgde vrijetijdskleding en had de uitstraling van een gepensioneerde intellectueel met een passie voor lezen. Kordaat liep hij naar de twee pratende mannen.

„Heren”, brak hij in, „mag ik u even lastigvallen? Ik heb hier een tas met mooie boeken die ik u wilde verkopen. Ik kom thuis zo langzamerhand in mijn boeken óm, het wordt tijd dat ik er wat wegdoe.”

De mannen hoorden hem meewarig aan. „Boeken verkopen?” zei de eigenaar. Hij stiet een korte, bijna honende lach uit. „U durft!”

„Meneer denkt dat we nog in de vorige eeuw leven”, viel zijn collega hem bij.

De man keek hen verbouwereerd aan. „Hoezo?”

„Hoe lang is het geleden dat u boeken verkocht?” vroeg de eigenaar.

„Een jaar of tien, vijftien”, schatte de man.

„Zie je wel!” riep de collega triomfantelijk.

„De tijd staat niet stil, meneer”, legde de eigenaar uit. „Die hele tweedehandsboekenhandel ligt behoorlijk op z’n kont. Je raakt de meeste aan de straatstenen niet kwijt. Ik koop alleen nog heel bijzondere boeken in. De mensen kopen liever voor een euro een boek bij de Kringloop.” Er was enige bitterheid in zijn toon gekropen.

De man stond er een beetje verloren bij. Hij was misschien helemaal vanuit Amsterdam-Zuid met zijn stapeltje boeken hierheen gekomen. „Nou ja, dan ga ik maar weer.”

Hij wilde zich al omdraaien, toen de eigenaar achteloos vroeg: „Wat heeft u eigenlijk in uw tas?”

De man deed een snelle greep. Ik zag enkele gave deeltjes uit Van Oorschots Russische bibliotheek en uit de reeks Privé-domein van de Arbeiderspers in zijn handen. Hij overhandigde de eigenaar en de collega ieder een exemplaar. „Bijzonder genoeg?”

„Wat gaat u ermee doen?” vroeg de collega.

„Weggooien als niemand ze wil hebben.”

„Dan kunt u het net zo goed aan mij geven”, lachte de collega.

„Ik ben Gekke Gerrit niet”, zei de man. Hij stapte op de mannen af en trok de boeken uit hun hand.

„Dat is flauw!”, riep de eigenaar, „u kunt ze beter hier laten dan weggooien.”

De man beende kwaad weg met zijn volle plastic tas, keek mij in het voorbijgaan aan en zei luid: „Zó kan ik ook een winkel drijven.”

Hij liet een broze stilte achter.

„Zeikerd”, zei de eigenaar.

„Die dacht aan ons te verdienen”, zei zijn collega.

Het leek me hoog tijd de winkel te verlaten.