‘Deze entree past een wereldmerk’

Directeur Alex Rüger vond 20 miljoen voor een nieuwe entree.

Vanaf deze week heeft het Van Gogh Museum in Amsterdam een fraaie nieuwe ingang. De nieuwe entree is een grote glazen hal aan het Museumplein, die een grotere garderobe en een uitgebreidere museumwinkel omvat en ook gebruikt zal worden voor commerciële ontvangsten, bijvoorbeeld van sponsors. De oude entree, in het hoofdgebouw aan de Paulus Potterstraat, blijft in gebruik voor groepen, zoals schoolklassen.

In een luttele zestien maanden – een oogwenk – heeft het Van Gogh Museum er 800 vierkante meter bij gekregen, voor 20 miljoen euro. De nieuwe ruimte bevindt zich in het ellipsvormige paviljoen op het Museumplein – de uitbreiding uit 1999.

Het kan dus toch, aan het Museumplein een museum verbouwen binnen de geplande termijn en binnen het budget. „Deze verbouwing was wel bescheidener dan de bouwprojecten om ons heen, bij het Rijksmuseum en het Stedelijk Museum”, relativeert museumdirecteur Axel Rüger.

Toch was het project minder eenvoudig dan het achteraf lijkt. Rüger herinnert zich de overdrachtsnotitie die zijn voorganger John Leighton in 2006 voor hem achterliet over de door architect Kurokawa ontworpen vleugel. Al snel na de opening van het paviljoen deed zich een probleem voor: de Japanse vijver die de architect had ontworpen stond door mankementen meestal droog en werd geteisterd door planten. Leighton schreef: „Je zult vinden dat de vijver een bron van irritatie is, maar denk er niet eens over na om daar ooit iets aan te willen veranderen, want het is een integraal onderdeel van het architectonische concept.”

Ondanks deze waarschuwing kwam bij Rüger steeds vaker de gedachte op om de vijver te offeren. Het Rietveldgebouw was ooit ontworpen met de aanname dat er 300.000 tot hooguit 500.000 bezoekers per jaar zouden komen. Inmiddels was het bezoekersaantal gestegen tot 1,6 miljoen. Met lood in de schoenen reisde Rüger af naar Tokio, voor een gesprek met het architectenbureau van Kurokawa, die inmiddels zelf overleden was. „Ik draaide er ongeveer drie kwartier omheen”, vertelt Rüger. „Voorzichtig probeerde ik het gesprek op het gebouw te brengen, en toen op de vijver, en op ‘een probleem’.” Tot zijn opluchting reageerden de Japanners broodnuchter: „O, de vijver is dus een probleem. Wat zou je ermee willen?” Kurokawa bleek een aanhanger te zijn geweest van de opvatting dat architectuur niet voor de eeuwigheid is, maar zich moet aanpassen aan veranderende omstandigheden.

Een volgende hobbel was het vinden van financiering. „We hadden 20 miljoen euro nodig om recht te doen aan de uitstraling die het Van Gogh Museum dient te hebben. Dit museum is wel een wereldmerk”, zegt Rüger. Eenvoudig bleek dat niet. Een hoofdsponsor diende zich niet aan. „Die tijd is voorbij. Ook voor de grote tentoonstelling Munch: Van Gogh hebben we geen hoofdsponsor gevonden.” De grootste bijdragen voor de verbouwing kwamen van de BankGiro Loterij en Van Lanschot Bankiers – de bedragen mag Rüger niet noemen.

Voor bezoekers is de winst van de nieuwe entree dat ze niet meer het hele Rietveldgebouw door hoeven als ze de vaste collectie willen overslaan en alleen de tijdelijke tentoonstellingen willen bezoeken. Ook de gevaarlijke situatie in de Paulus Potterstraat, waarbij rijen wachtende bezoekers regelmatig in aanvaring kwamen met het verkeer, is verleden tijd.

De gemeente heeft de ruimte tussen het Stedelijk Museum en het Van Gogh Museum ingericht als nieuw wachtgebied. Rüger: „De volgende uitdaging is nu om fondsen te werven voor een overkapping die het wachten nog comfortabeler maakt.”