Désirée is sterk, met wilde genen

Ingebouwd aardappel-DNA uit de Andes helpt friet-pieper in strijd met gevreesde schimmel Fytoftora

Door fytoftora aangetast blad.

De nieuwe ‘Wageningse’ frietaardappelen zijn sterk. Op hetzelfde veld, steeds opnieuw gepoot, houden ze zich nu al vijf jaar staande tegen de waterschimmel fytoftora. Ze hebben drie genen van wilde aardappelen uit de Andes ingebouwd gekregen. Planten met maar één nieuw gen, werden binnen drie generaties bruin – aangetast door fytoftora.

Gisteren toonden de Wageningse aardappelonderzoekers hun nieuwe aardappelen aan de pers. Het markeerde het slot van een tienjarig biotechnologieproject. Nederlandse zaad- en pootgoedbedrijven steken al zeker twintig jaar geen geld meer in genetische modificatie. Met het inbouwen van wilde genen in de populaire tafelaardappel Désirée, wilde het landbouwministerie in 2006 het kennisniveau in Nederland op peil houden. De biotechnologen zochten een oplossing voor de schimmel fytoftora. De concentratie sporen in het aardappelrijke Nederland is uitzonderlijk hoog, ook deze zomer weer. En juist de meest populaire rassen waaronder Bintje en Désirée zijn het gevoeligst. Daarom spuiten Nederlandse aardappeltelers gemiddeld elk jaar voor 80 miljoen euro aan fungiciden.

De Wageningers hebben aangetoond dat bestaande rassen in principe snel sterker kunnen worden gemaakt. Dat kan door rechtstreeks meerdere resistentiegenen uit wilde aardappelsoorten in te bouwen en daarna twee of drie jaar de beste planten te selecteren in kassen en velden. De Wageningers testten zeven jaar lang allerlei Désirée’s met verschillende combinaties wilde genen. De Universiteit Gent deed hetzelfde in het Vlaamse Wetteren.

De Désirée’s met één ingebouwd gen vielen al vanaf het tweede jaar af: steeds meer planten verkleurden en verpieterden. Maar die met drie, en ook enkele met twee, bleven vijf achtereenvolgende pootseizoenen goed. In de commerciële teelt worden ook die een keer aangetast, zegt onderzoeksleider Anton Haverkort. Fytoftora omzeilt namelijk vrij makkelijk de weerstand van de plant. „Maar dan kunnen pootgoedbedrijven een nieuw setje genen inbouwen.”

Vooralsnog kunnen die bedrijven kiezen uit 12 resistentiegenen. Tussen 1950 en 1960 hebben Wageningse plantkundigen wilde aardappelsoorten uit de Andes gehaald. Daar bleken die resistentiegenen in te zitten. Alle twaalf zorgen ze voor een eiwit dat een bepaald schimmeltype herkent, waarna de aardappel een afweerreactie start. Haverkort verwacht dat Nederlands pootgoed om de 10 jaar een nieuwe ‘DNA-cassette’ nodig zal hebben.

Wanneer de Nederlandse bedrijven met zulke cassettes genaardappelen gaan maken, is onduidelijk. Het Duitse chemieconcern BASF had al in 2011 toelating bij de EU gevraagd voor zijn Fortuna, met twee wilde resistentiegenen tegen fytoftora. Maar in 2012 trok het de aanvraag terug omdat het te duur zou worden. Nederland bepleit al een paar jaar vereenvoudiging van de strenge richtlijnen voor gengewassen die alleen DNA van soortgenoten ingebouwd krijgen. Brussel lijkt daar echter geen haast mee te hebben.