Xi herschrijft geschiedenis: de communisten versloegen Japan

Het land viert morgen 70 jaar bevrijding. De partij manipuleert de herinnering aan de bezettingsjaren naar believen. Een oorlogspretpark doet goede zaken.

Op de set van een oorlogsfilm in filmstudio’s bij Hengdian checkt een acteur in Japans uniform met zijn telefoon zijn uiterlijk. Foto Damir Sagolj/REUTERS

Veel keus op het Chinese historische menu is er niet. ‘De verzetsoorlog tegen de Japanse agressie’ wordt opgediend als politieke propaganda van de overwinnaar, de almachtige, alwetende Communistische Partij van China. Of als commercieel pretparkvermaak voor Chinese toeristen, die in Shanxi ‘oorlogje’ kunnen spelen.

Zeventig jaar na de Japanse overgave op 2 september 1945 biedt ook partijleider en president Xi Jinping weinig ruimte voor andere, completere interpretaties. In de politiek correcte lezing over de zeven bezettingsjaren, waarin vijftien miljoen Chinezen omkwamen en honderd miljoen op de vlucht sloegen, blijft de partij de „leidende rol” vervullen en „de kern” vormen van het verzet tegen de keizerlijke legers.

„In de loop der tijd wordt de blik op de geschiedenis scherper en wordt duidelijker dat het grootse en onoverwinnelijke werk van de partij tijdens de verzetsoorlog cruciaal was voor de wedergeboorte van een sterk China”, citeerde Volksdagblad ‘Grote Vader Xi’.

De Nationale Partij (Guomindang), de machthebbende partij in de jonge republiek, en het Nationale Revolutionaire Leger van Guomindang-leider Chiang Kai-shek spelen nu nog een bijrol in de nieuwe musea, boeken, films en docudrama’s. In de jaren 80 en 90 leek meer ruimte te zijn voor genuanceerde geschiedschrijving. Maar sinds Xi aan de macht is, weten historici en journalisten welk script ze moeten aanhouden. De rol van de Guomindang wordt niet meer verdonkeremaand zoals onder Mao, wel summier gehouden.

„De politiek leidende groep van die tijd was corrupt en zwak en tot op het bot verdeeld, de CPC daarentegen vervulde zijn historische missie, vocht tegen de invasie en beschermt sindsdien de onafhankelijkheid en wedergeboorte van China, en zal dat altijd blijven doen”, zo herbevestigt Xi deze week de lezing van de overwinnaars.

De partijleider zette zo de toon van de omvangrijke militaire parade die morgen door het politieke hart van Beijing trekt. Het is voor het eerst dat de partij de herdenking van het einde van de ‘Volksverzetsoorlog tegen de Japanse Agressie en de Mondiale Anti-Fascistische Oorlog’ met vertoon van de nieuwste militaire arsenalen viert. De militaristische boodschap aan Japan – dat gezien wordt als een slapende vulkaan – en aan de VS is helder.

Dat na zeventig jaar de oorlog niet voorbij of verwerkt is, blijkt op een zomerse zondagmiddag in het Achtste Weg Leger Culturele Park in Shanxi. Afwisselend gierend van opwinding en dan weer met strakke gezichten zitten families met kleine kinderen in een treintje dat over het imaginaire slagveld bij een verwoest dorp toert. Met zware boordmitrailleurs van hout en plastic kunnen de als guerrillastrijders vermomde toeristen zogenaamd Japanners neermaaien. Uit gecamoufleerde luidsprekers waaien realistische slagveldgeluiden, inclusief doodskreten.

Jongens in uniformpjes van het Achtste Weg Leger, Mao’s embryonale hoofdmacht, leren hoe ze met bajonetten andere – Japanse – jongens ontmannen; tieners nemen in de loopgraven deel aan een ‘oorlogsscenario’, gebaseerd op computerprogramma Stalker. Oorlog als dikke pret.

„Politiek speelt geen rol, dit is waarheidsgetrouw en heel goed voor het toerisme”, verzekert Shi Yongbing, het jonge hoofd van de afdeling propaganda van Wuxiang. „En het is ook leerzaam, want wij moeten ervoor waken dat wij weer door Japan worden aangevallen.”

Waarom ontbreekt in het museumpje in het 80 miljoen dollar kostende pretpark dan elke verwijzing naar het Nationale Revolutionaire Leger van Chiang Kai-shek? „Ik heb economie gestudeerd, geen geschiedenis”, zegt de jonge partijfunctionaris ontwijkend. Hij praat liever over hoe het zelfs door sommige Chinese historici als ‘vulgair’ bestempelde pretpark de plaatselijke economie heeft opgekrikt.

Marco Polobrug

Rana Mitter, historicus aan de universiteit van Oxford en auteur van het pas verschenen China’s War With Japan, stelt bij elk bezoek vast dat „het echte verhaal over de Tweede Wereldoorlog in China spoorloos verdwenen is in het gat van de Koude Oorlog en de politieke propaganda”.

Dat echte verhaal, waarover geen begin van Chinese, laat staan Chinees-Japanse consensus bestaat, gaat over hoe een klein incident in juli 1937 bij de Marco Polobrug bij Beijing uitmondde in een grote oorlog. Japan had toen al, vanaf 1932, noordoost China geannexeerd. Aan Chinese zijde werd de oorlog eerst alleen gevoerd door het Nationale Revolutionaire Leger van Chiang Kai-shek. Pas later, na 1941, kwamen de communisten van Mao in actie.

Het Japanse keizerlijke leger ging heel gewelddadig te werk, richtte in 1937 slachtingen aan in Shanghai en vooral Nanjing en bestookte twee jaar later het dichtbevolkte Chongqing en Chengdu maandenlang met brandbommen. Chongqing was de oorlogshoofdstad van Chiang.

Met de communistische beweging sloot de latere dictator van Taiwan een wankel pact, het zogeheten Verenigd Front. De rolverdeling was dat Chiang – een eigenzinnige, geniale generaal – de conventionele grondoorlog voerde, terwijl zijn tegenstrever Mao vanuit zijn basis in Yan’an met het Achtste Weg Leger guerrilla-aanvallen achter de vijandelijke Japanse linies uitvoerde. Chiang Kai-shek probeerde, gesteund door regionale krijgsheren, de opmars van de oprukkende communisten af te remmen. De zogeheten ‘witte terreur’-campagnes tegen Mao’s ontluikende communistische beweging in oorlogstijd, vormen voor de CPC nog een open wond.

„Het was een uiterst complexe situatie met intrigerende nationalisten, revolutie smedende communisten en niet te vergeten de met Japan samenwerkende collaborateurs. Deze mix van de Koude Oorlog, propaganda en ontoegankelijke archieven bemoeilijken de geschiedschrijving tot op dit moment”, zegt Rana Mitter.

‘De vergeten vierde geallieerde’

Niet alleen Chinezen worden eenzijdig geïnformeerd, ook de Taiwanezen. En in het Westen wordt de Japanse invasie nog steeds beschouwd als een side-show van de Tweede Wereldoorlog. De hoge prijs in mensenlevens en economische ontwrichting dringt nu pas door, om van de gemiste kansen maar te zwijgen. Zonder de Japanse oorlog zou China zich mogelijk hebben ontwikkeld tot een pluralistisch land met twee grote partijen, oppert Mitter.

„Door het Chinese verzet werd China geen Japanse kolonie en was Japan gedwongen 800.000 Japanse soldaten in te zetten, divisies die niet elders in Oost-Azië ingezet konden worden. Japan werd zo gedwongen op meerdere fronten te vechten en China droeg zo bij aan de eindzege. De Chinese offers en het jarenlange verzet onder extreme omstandigheden verdienen erkenning’’, zegt Mitter. Hij noemt China „de vergeten vierde geallieerde”.

Voor de Chinese historicus Su Zhiliang in Shanghai kan het niet alleen bij erkenning blijven van China’s rol in de Tweede Wereldoorlog. „Japan moet eindelijk, naar Duits voorbeeld, schuld bekennen en spijt betuigen. Zolang dat niet gebeurt, is de oorlog niet voorbij.” „Net als vele Shanghaiers van zijn vooroorlogse generatie kent hij Japan goed, heeft er gewoond, gestudeerd en de taal geleerd. „Wij Chinezen voelden heel goed dat Japanners op ons neerkeken, zij behandelden ons niet als mensen. De massamoorden in Nanjing, de brandbommenbombardementen op de bevolking van Chongqing, het gebruik van Chinese vrouwen als seksslavinnen bewezen dat zij ons zagen als ongedierte. Wij voelen dat het Japanse superioriteitsgevoel nog niet helemaal is verdwenen. Waarom kunnen zij geen schuld bekennen en gemeend excuses aanbieden?”

Troostmeisjes

De zachtmoedige hoogleraar aan de Oost Normaal Universiteit van Shanghai, het tegendeel van een communistische propagandist, geeft een rondleiding in zijn gerenoveerde museum dat helemaal gewijd is aan de zogeheten ‘troostmeisjes’. Alleen al in Shanghai waren er 161 militaire bordelen waar Japanse soldaten jarenlang duizenden jonge Chinese vrouwen misbruikten, vaak tot hun vroege dood toe.

Su weet hoe selectief de partij omgaat met geschiedschrijving. Decennia werd hij in zijn studie naar de Japanse legerbordelen in China en het lot van de 200.000 Chinese ‘troostmeisjes’ tegengewerkt. De vrouwen (21 leven er nog) werden tot voor kort genegeerd. Als ze de bordelen hadden overleefd, stierven ze vaak in armoede.

Su’s bevindingen vormden in de jaren 80 en 90 dissonanten in de verbeterde Chinees-Japanse relaties en werden grotendeels genegeerd. Sinds enkele jaren, waarin de spanningen over omstreden eilanden en zeegebieden zijn opgelopen, krijgt Su overheidssteun. Hij is zich goed bewust van de politieke manipulatie van zijn onderzoek. „Ik kan er als eenvoudige professor weinig aan doen. Wel krijg ik nu geldsteun. Zo kan ik mijn onderzoek afronden en de nog levende vrouwen helpen die allemaal arm en ziek zijn.”

Historicus Su zegt groot voorstander te zijn van nieuw, onafhankelijk onderzoek, zelfs als dat de rol van de communisten in een ander licht plaatst. „Het tij gaat keren. Vroeger mocht je daar niet over praten en schrijven, maar in de veldslagen om Shanghai, Nanjing en Wuhan speelden de communisten geen rol. Zij waren er simpelweg niet om de burgers te verdedigen tegen de moordende en plunderende Japanners. Dat is een pijnlijke waarheid’’, legt hij uit. Die waarheid wordt in een klein, pas geopend museum aan de Shanghai Suzhou-kreek niet meer verzwegen, althans niet al te opzichtig weggeredeneerd.

De poppen dragen de uniformen van Chiang’s Nationale Revolutionaire Leger, er hangen voorpagina’s van Guomindang-kranten en naast het onvermijdelijke portret van Mao Zedong is er plaats gemaakt voor een korrelig zwart-wit portret van een jonge Chiang met filmsterlooks. In de teksten wordt nog wel verdoezelend neutraal gesproken over ‘Chinese’ eenheden’.

Veteranenlintje

Aan de hand van zijn kleinzoon van middelbare leeftijd schuifelt oorlogsveteraan Feng Yu (93) langs de foto’s van het Shanghai van zijn jeugd. Met breekbare stem vertelt hij decennialang te hebben verzwegen dat hij aan nationalistische zijde tegen de Japanners vocht, bang als hij was zijn werk bij het spoor en zijn staatspensioen te verliezen. Twee jaar geleden ontving hij voor het eerst een veteranenpensioen van een paar eurotientjes per maand, samen met een veteranenlintje en gratis reispas.

Bij het portret van Chiang blijft hij even stil staan, recht, bijna onzichtbaar, zijn rug en heft langzaam zijn rechterhand op. Voordat hij kan salueren, pakt zijn kleinzoon hem zachtjes bij de arm en leidt hem naar een vitrine met militaire parafernalia. In het gastenboek lees ik later de tekst „Wij hielden het Japanse imperialisme tegen met een sterk Guomindang-leger”. Een handtekening ontbreekt.

    • Oscar Garschagen