Worden slachtoffers wel beter van het nieuwe, uitgebreide spreekrecht?

Is het voor een rechter wel mogelijk afstand te nemen van wat hij daadwerkelijk gezien of gehoord heeft? Zelf beweren ze van wel. In ‘de Mensenkenners’ toetst psycholoog Bert Pol het nieuwe, uitgebreide spreekrecht voor slachtoffers in de rechtszaal aan sociaal wetenschappelijk onderzoek.

Worden rechters beïnvloed door emotionele verklaringen van slachtoffers? Of kunnen zij daar ‘makkelijk afstand van nemen’, zoals ze zelf beweren. In de rubriek Mensenkenners beantwoordt Bert Pol van de capaciteitsgroep Work & Social Psychology van Maastricht University deze vraag.

Sinds 2005 hebben slachtoffers het recht om tijdens een proces te vertellen welke impact het misdrijf op hun persoonlijk leven heeft.[1] Maar over de schuld van de verdachte en de hoogte van de straf die zij rechtvaardig zouden vinden mogen zij niets zeggen. Dat gaat binnenkort veranderen. Althans, als ook de Eerste Kamer akkoord gaat met het wetsvoorstel waarmee de Tweede Kamer kort voor het zomerreces heeft ingestemd. “Met de toekenning van het onbelemmerd spreekrecht staat het het slachtoffer vrij alles aan de orde te stellen wat hem in dat kader juist en dienstig voorkomt. In beginsel is niets uitgesloten […].” [2] Aldus de bewindspersoon. Worden slachtoffers beter van het uitgebreide spreekrecht?

Een vraag die daar – hoewel dat op het eerste gezicht wellicht vreemd lijkt - mee samenhangt, is wat uitspraken van slachtoffers met de rechter doen. Beïnvloeden die zijn oordeel? De bewindspersoon deelde desgevraagd mee dat dat niet kan worden uitgesloten.[3] Over de consequenties daarvan werd niet gesproken. Inzichten uit psychologisch onderzoek laten zien dat dat niet terecht is. Rechters zelf blijken verdeeld over hun vermogen om waar nodig uitlatingen van slachtoffers tussen haakjes te plaatsen. In een onderzoek uit 2013 in opdracht van met Ministerie Van Veiligheid & Justitie geeft een deel van de rechters aan “dat er een grote invloed van de verklaring van het slachtoffer kan uitgaan”. Maar een ander deel geeft aan dat zij “goed in staat zijn daarvan gepaste afstand te nemen in hun einduitspraak.”[4] Klopt dat laatste?

Is het voor een rechter daadwerkelijk mogelijk afstand te nemen van wat hij gehoord of gezien heeft?

Dat is zeer de vraag. Zijn waarnemingen kunnen doorwerken in de beslissing zonder dat hij zich daarvan bewust is. Zij kunnen consequenties hebben voor bijvoorbeeld de hoogte van de straf, waarbij de rechter denkt dat hij na heel bewuste afweging en overweging tot zijn besluit is gekomen, maar hij onbewust toch beinvloed is door wat hij heeft gehoord of gezien. Voor het slachtoffer èn de verdachte kan dat zowel gunstig als ongunstig uitpakken.

Oordelen en beslissen zijn voor een aanzienlijk deel onbewuste processen die zonder dat we dat beseffen een aanzienlijke invloed kunnen uitoefenen op ons oordeel en op onze beslissingen. Dat geldt voor mensen in het algemeen, maar er is sterke empirische evidentie dat het ook voor rechters geldt. Rechters kunnen zich – volkomen anders dan een deel van de rechters kennelijk zelf vindt - eenvoudigweg niet afsluiten voor onbewuste beïnvloeding, onder meer door uitspraken van het slachtoffer.

Naar de effecten van onbewuste beïnvloeding bij rechters is de afgelopen 15 jaar veel onderzoek gedaan door Wistrich, Guthrie en Rachlinksi, respectievelijk rechter, hoogleraar en dean van VanderBilt Law School en hoogleraar psychologie aan Cornell. Ik haal hier slechts enkele van hun bevindingen aan. Een van de beïnvloedingsfenomenen die via het onbewuste werken, is anchoring. Bij anchoring fungeert een getal dat je hoort of leest als ankerpunt. Word je bijvoorbeeld gevraagd of het aantal bibliotheken in Nederland hoger of lager is dan 700, dan is de kans groot dat je antwoord hoger uitvalt dan wanneer gevraagd zou worden of ons land meer of minder dan 300 bibliotheken telt.

En dat verschijnsel gaat buiten ons bewustzijn om. We beslissen dan zonder dat we ons bewust zijn van de invloed die het ankergetal op onze beslissing heeft. In de rechtszaal kan dat er toe leiden dat wanneer een slachtoffer betoogt dat hij gezien het hem aangedane leed een straf van 20 jaar verwacht, de rechter een hogere straf oplegt dan wanneer het slachtoffer zich niet over de strafmaat had uitgesproken.[5]

Experimenten lieten ook zien dat rechters emoties die personen bij hen oproepen niet goed kunnen negeren. Met andere woorden, vindt een rechter een slachtoffer sympathiek of juist antipathiek, dan kan dat zijn vonnis beïnvloeden.[6] En dat gebeurt ook, laten Wistrich, Guthrie en Rachlinksi zien. Uit hun onderzoek onder 1800 rechters in zowel civielrechtelijke als strafrechtelijke zaken, kwam duidelijk naar voren dat sympathieke partijen er in het proces (veel) beter van af kwamen dan onsympathieke partijen. Relevant daarbij is dat de onderzoekers bij de rechters geen systematische voorkeur waarnamen voor de beklaagde of de aanklager.

Waarom denkt een deel van de rechters dat ze in hun vonnis gepaste afstand kunnen nemen van de verklaring van een slachtoffer?

Net als veel ‘gewone’ mensen bleken rechters ook geneigd hun eigen vaardigheden of kwaliteiten hoger in te schatten dan terecht is (de zogenoemde optimistic bias). Zo vond 88% van de rechters zichzelf beter dan de gemiddelde rechter. Dat is vergelijkbaar met het percentage automobilisten dat zichzelf een beter dan gemiddelde chauffeur vindt. [7] Als rechters hun eigen beperkingen niet beseffen kan dat ten koste gaan van zorgvuldigheid en een van de partijen benadelen.

De vraag is of het uitgebreide spreekrecht wel echt gunstige gevolgen heeft voor slachtoffers. Zij kunnen hun positie juist door het uitgebreide spreekrecht ook ondermijnen, zonder dat ze dat in de gaten hebben en zonder dat een rechter dat in de gaten heeft. Daarenboven lijkt het er ook nog eens sterk op dat er geen empirische evidentie is voor een heilzame werking van het spreekrecht.[8] Voldoende reden om het spreekrecht nader onder de loep te nemen en aan te scherpen.

Dit is de vijfde  aflevering van de NRC/WRR rubriek ‘Mensenkenners’ .  Daarin analyseren gedragswetenschappers actuele wetsvoorstellen op uitnodiging van dr. Petra Jonkers. Zij is co-auteur van “Met kennis van gedrag beleid maken” (2014), een advies van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. 

 

[1] In het geval van misdrijven waarvoor een gevangenisstraf van minstens 8 jaar kan worden gegeven, een aantal zedenmisdrijven, stalking, bedreiging, mishandeling en een verkeersongeval dat leidt tot de dood of ernstig lichamelijk letsel.

[2] Tweede Kamer, vergaderjaar 2014-2015, 34 082, nr. 6, p. 15.

[3] Ibid. p. 17.

[4] Ibid., p. 6. Cursivering van mij.

[5] Ibid.

[6] Wistrich, A.J., Rachlinksi, J.J. & Guthrie, C. Heart versus head: do judges follow the law of follow their feelings? Texas Law Review (2015), 93. 854-923.

[7] Guthrie, C., Rachlinski, J.J. & Wistrich, A.J. Inside the Judicial Mind. Cornell Law Review (2001), 86, 777.

[8] Kunst, M. De therapeutische werking van slachtofferdeelname aan het strafproces. Een kritische beschouwing vanuit een psychotraumaperspectief. Beleid en Maatschappij 2015, (42) 1. 32-45.

 

    • een onzer redacteuren