Recensie

De koele stilte van de Düsseldorfer Schule

Fotografie Een hele groep Duitse fotografen werd wereldberoemd via de Düsseldorfer Schule, toch is hun werk heel divers. Wat ze met elkaar delen is hun manier van werken: objectief, onderzoekend en bedachtzaam.

Hochbunker Bremen Hardenbergstr, 1987 © Boris Becker, c/o Pictoright Amsterdam 2018

Wie door Huis Marseille wandelt zonder enige kennis van wat dat nou precies is, die Düsseldorfer Schule, en wie dat nou eigenlijk zijn, Bernd en Hilla Becher, is het misschien niet overal duidelijk wat deze fotografen in deze tentoonstelling met elkaar te maken hebben. Want kijk nou eens naar dat enorme tableau in de beginzaal, met achttien foto’s van mijnschachttorens, gemaakt door de Bechers in 1994. Hoe verhoudt zich deze strenge, formele typologie in zwart-wit zich tot het romantische stadsgezicht dat Elger Esser, een paar zalen verderop, maakte van de Franse stad Saumur, dat met zijn bleekgele sepiatinten eerder doet denken aan een negentiende-eeuws schilderij dan aan een moderne foto? En hoe moet je kijken naar paspoppen die Louisa Clement fotografeerde met haar iPhone, zo dicht op hun glimmende, fluorescerende huid dat er bijna onherkenbare kleurvlakken ontstaan? Wat is de relatie van dit welhaast abstracte beeld met de glasheldere, foto die Candida Höfer maakte van de bibliotheek van de Tweede Kamer in Den Haag, waarbij we onmiddellijk herkennen wat we zien?

Beroemde leerlingen

De verbindende schakel zit in de fotografieopleiding aan de beroemde Staatliche Kunstakademie van Düsseldorf. Alle zeventien fotografen in de tentoonstelling Bernd, Hilla en de anderen / Fotografie uit Düsseldorf zijn direct of indirect verbonden aan Bernd en Hilla Becher, die hier vanaf 1976 lesgaven. Nu wereldberoemde fotografen als Thomas Struth (1954), Axel Hütte (1951), Thomas Ruff (1958) en Candida Höfer (1944)¬ zaten in het allereerst klasje van Bernd Becher, Andreas Gursky (1955) volgde een paar jaar later. Een nieuwe lichting, waartoe Laurenz Berges (1966) en Elger Esser (1967) behoren, studeerde er af in de jaren negentig, in de opwindende tijd dat hun voorgangers internationale roem kregen. En relatieve jonkies als Anna Vogel (1981) en Martina Sauter (1974) studeerden vervolgens weer bij Ruff, die er hoofddocent was tot 2008, of bij Gursky, die sinds 2010 aan de Akademie verbonden is als docent vrije kunst.

Het kunstenaarsechtpaar Bernd (1931-2007) en Hilla Becher (1934-2015) werd bekend met foto’s waarop ze onder andere watertorens, mijnschachten en vakwerkhuizen zo objectief mogelijk vastleggen, steeds vanuit eenzelfde standpunt, met steeds eenzelfde licht. Volgens een strikte methode die haar oorsprong vond in de Nieuwe Zakelijkheid, legden ze zo een verdwijnende architectuur vast, op een geduldige, registrerende en onderzoekende manier. In een tijd dat fotografie voor het eerst, nog maar mondjesmaat, als kunst werd gezien, vertelden zij hun studenten dat die nooit meer zouden hoeven vechten voor de erkenning van fotografie als kunst: „Ik vond het belangrijk dat ze zich ervan bewust waren dat ze iets deden wat totaal gelijkwaardig was aan schilderkunst”, zei Bernd Becher.

Bedachtzaamheid

Alhoewel de studenten het bedachtzame en onderzoekende karakter van hun docenten met de paplepel kregen ingegoten, vulden ze dat in met hun eigen visie en onderwerpen. Terwijl er bij de Bechers nooit mensen op de foto’s te zien waren, maakt een aantal van hen portretreeksen en familieportretten. En terwijl de Bechers in zwart-wit hadden gewerkt en op een vrij klein formaat, schakelt een aantal leerlingen over op grote formaten en kleur – een stap die enorm aanslaat op de kunstmarkt van dat moment. ‘De reputatie van de Düsseldorfer Schule werd uiteindelijk bepaald door het succes van de studenten’, schrijft de Duitse kunsthistoricus Stefan Gronert in The Dusseldorf School of Photography (2009). Want ondanks de kritiek, die er ook is, dat deze fotografie te afstandelijk, zielloos is, komt er een enorme waardering op gang. Die zichtbaar wordt in exposities in belangrijke musea, fotoboeken, kunstprijzen, de invloed op nieuwe generaties fotografen én de bedragen die uiteindelijk door musea en verzamelaars betaald worden voor werk van de Becher-pupillen. Ter illustratie: in de top-10 van duurste foto’s staat vier keer een werk van Andreas Gursky; voor Rhein II (1999) werd in 2011 op een veiling bij Christie’s bijna 4,5 miljoen dollar betaald.

‘Het onderwijs van de Bechers leidde niet tot een uniforme beeldtaal, maar tot de ontwikkeling van een grote variatie aan individuele beelden’, schrijft Gronert. En Christopher Williams, die in 2008 het professoraat aan de Akademie overnam van Thomas Ruff, zegt in een bijlage van de Groene Amsterdammer over deze tentoonstelling : ‘Deze kunstenaars worden ten onrechte als een homogene groep gezien, terwijl hun werk steeds diverser blijkt wanneer je het langer volgt.’

Valt er dan niets gemeenschappelijks te ontdekken aan al die fotografen die nu in Huis Marseille te zien zijn? Natuurlijk wel. Vaak is hun werk een onderzoek naar de fotografie zelf: hoe kijken wij? Of: wat is dat eigenlijk, een portret? Zo is het in de serie die Axel Hütte eind jaren zeventig maakt van vrienden en bekenden niet zo belangrijk wie er nou op die portretten te zien zijn – hem gaat het meer om het idee van het portret. De geportretteerden kijken zo neutraal en emotieloos mogelijk de camera in. Deze koele objectiviteit zien we ook terug in de kale fotoserie die Laurenz Berges maakte van zijn geboorteplaats Cloppenburg, we zien het in de consistente manier waarop Simone Nieweg al decennialang tuinen fotografeert, en in de serie over oude kolenbunkers van Boris Becker, die nog wel het meest doet denken aan het werk van de Bechers.

Met de Düsseldorfer Schule werd een beeldesthetiek geïntroduceerd die gekenmerkt wordt door een koelte, een stilte, het monumentaal maken van het alledaagse. Een taal die met de Bechers en al die anderen de fotografie binnensloop en tot op de dag van vandaag bepalend is voor hoe wij naar fotografie kijken. De tentoonstelling in Huis Marseille toont ons niet alleen werk van een aantal van de meest toonaangevende fotografen van de afgelopen decennia, maar geeft ook inzicht in de bron van een beeldtaal die ons inmiddels zo bekend voorkomt dat het lijkt alsof die er altijd al geweest is.