Geen rimpelvrij, onschuldig vrouwmens op mijn cover

Na de fase van de volslagen leegheid die volgde op het inleveren van mijn manuscript – ik die met de benen in de lucht spataders en de wereld vermijd – trekt het vehikel zich langzaam weer op gang. Met vehikel bedoel ik niet enkel mezelf, maar ook de machinerie van de uitgeverij. Tijdens het schrijven (zes maanden) heb ik alle mails en telefoons genegeerd. Maar ik heb nog maar op send gedrukt om Wat alleen wij horen in te leveren en van de wiedeweerga kloppen de mensen van de uitgeverij aan.

Omdat ik mijn tekst rijkelijk laat heb ingediend, rest ons maar een maand meer tot de publicatie eind september. Alle hens aan dek dus.

Van manuscript tot roman in boekvorm, daar komt wel wat bij kijken. Om te beginnen de drukproef waar de laatste foutjes uit gepeuterd moeten worden voor de volgende drukproef, een flaptekst en een auteursfoto. Die laatste moet van recente datum zijn, maar ook weer niet dermate realistisch dat je er uitziet als ik daags na het halen van de deadline.

Verder een omslagontwerp, daarover ga ik nog lekker een robbertje vechten met mijn uitgever, Mai Spijkers. De zogenaamde pitbull uit Uitgeversland is onder ons gezegd een lieve, aimabele puppy met inderdaad weinig haar, zoveel van de geruchten is waar. Hij wil de voorkant van Wat alleen wij horen voorzien van een mooie afbeelding van een rimpelvrij, onschuldig vrouwmens, heur haren opwaaiend door de windmachine, terwijl ik de cover liever zelf ontwerp zoals ik heb gedaan bij mijn vorige roman Wij en ik. Ik weet niet of dat iets zegt over zijn voorkeuren of over mijn tekenkunsten. Vrouwen en boeken zijn een winning team, zo probeert Mai mij, toch ook een vrouw, te overtuigen. Haast 70 procent van de lezers van fictieboeken zou uit vrouwen bestaan, en die kijken volgens veel boekenmakers liefst in een flatterende spiegel. Maar ik houd voet bij stuk. Ik beschouw het als een deel van het afscheidsritueel. Menig vormgever trekt nu waarschijnlijk verschrikt een wenkbrauw op, maar liever mijn kromme ontwerp dan een kunstige cover van een melig trutje omgeven met een zekere flou artistique. Een huwelijksaanzoek moet ook niet briljant verwoord worden maar wel passen bij de aanzoeker.

Om mijn uitgever nog wat meer op de kast te jagen heb ik deze keer nog iets extra’s verzonnen: ik heb twee covers ontworpen, zodat mensen kunnen kiezen tussen twee omslagontwerpen, tweemaal zonder jonge, in het oneindige turende vrouw.

Over die twee covers wordt nu gebakkeleid. Ondertussen belt mijn vaste redacteur Job over de flaptekst die hij zonet heeft doorgestuurd, over dat ene foutje dat nog moet worden rechtgezet, of ik toch geen andere coverfoto wil uitkiezen, en of ik onmiddellijk, dadelijk, nu, waar wacht ik eigenlijk op, kan antwoorden. Help, hiervoor heb je meer doorzettingsvermogen nodig dan om een boek te schrijven.