Een Tamil die ons exotisch vindt

De regisseur won in mei zijn langverwachte Gouden Palm met immigrantendrama ‘Dheepan’. De Franse Scorsese? Dan eerder een Van Warmerdam.

In Dheepan wordt een nepgezin echt: dochter Illayaal (Claudine Vinasithamby) groeit naar surrogaatmoeder Yalini toen (Kalieaswari Srinivasan)

De Franse regisseur Jacques Audiard (63) blijft graag een beetje ongrijpbaar. De nieuwe meester van de Franse polar (misdaadfilm) is hij genoemd. De Franse Martin Scorsese. Zelf denkt hij er het zijne van.

„Scorsese? Die respecteer ik enorm, maar ik zie eerlijk gezegd weinig overeenkomsten. Toen ik begon als filmmaker werd ik eerder beïnvloed door theater, in het bijzonder door de Nederlandse theatergroep Hauser Orkater en ... toe, hoe heet hij, Alex van Warmerdam. Hij regisseert nu toch ook films? De titel van mijn debuutfilm was zelfs een hommage aan Orkater: Regarde les hommes tomber (1994, Zie de mannen vallen).”

Tweemaal spreek ik Jacques Audiard. In mei elegant gekleed en een beetje nerveus op het filmfestival van Cannes: er hangt dan wat in de lucht. En vorige week ontspannen in spijkerjasje in Amsterdam. Dan heeft hij allang zijn Gouden Palm op zak voor zijn immigrantendrama Dheepan, vanaf deze week ook in de Nederlandse bioscopen. Een langverwachte bekroning, want Audiard is dan geen tweede Scorsese of Van Warmerdam, de beste Franse cineast van zijn generatie is hij wel.

Invloeden? „Op mijn leeftijd weet je niet meer wie je allemaal hebben beïnvloed. Je ziet duizenden toneelstukken en films en houdt van alles iets over. Ik was ooit enthousiast over Bob Wilsons Einstein on the Beach, over Turks Fruit van Paul Verhoeven, over Murnau, over de Duitse cinema van de jaren zeventig: Fassbinder, Herzog, Wenders. Maar hoe zich dat in mijn eigen films vertaalt, is me een raadsel. Je bent sowieso meer dan de som van invloeden. Wat ik wel doe: in Dheepan zit een schietpartij in een trapportaal. Dan bestudeer ik hoe dat eerder in beeld is gebracht, in dit geval vooral ook Scorseses Taxi Driver. Ook om dat niet onbewust te herhalen.”

Audiard flirt met genrefilms, maar gaat steevast met de regels daarvan aan de haal. Neem Dheepan: een nepgezin van Tamils vestigt zich in een door drugsbendes gedomineerde banlieue. Wat aanvangt als melodrama over vreemdelingen die naar elkaar toegroeien, slalomt halverwege onnavolgbaar richting misdaad- en wraakfilm.

„Een reis langs filmgenres”, noemt Audiard dat: een weg vol verrassingen. „Ik zie filmgenre als een Trojaans paard. Het is een beeldtaal die iedereen direct begrijpt, de vorm en betekenis zijn volstrekt helder. Maar je kan er van alles in verstoppen.” Maar de formulering dat hij speelt met genre en verwachting, bevalt hem niet. „Dat klinkt een beetje als een kind met speelgoed. Het gaat me in eerste plaats om personages. Op het moment dat hun situatie verandert, verandert het filmgenre met ze mee.”

Bij Dheepan was dat een delicate operatie, erkent Audiard. „Bleef ik te dicht bij mijn personages dan werd het saai. Maar gebruikte ik te veel effect dan werd het ongeloofwaardig. Daarom is deze film een beetje instabiel, je weet nooit welke hoek hij nu weer omslaat.”

Jacques Audiard, zoon van schrijver en regisseur Michel Audiard, stapte na een studie letteren in zijn vaders voetsporen. Hij was regieassistent van Roman Polanski bij The Tenant (1976), schreef samen met zijn vader het Belmondo-vehikel Le Professionel (1981) en maakte furore met toneelstukken en filmscripts: veel polars – misdaadfilms – maar ook het macabere Baxter (1989), dat de wereld bekijkt door de ogen van een pitbull. Als schrijver-regisseur viel hij met zijn films in de prijzen: recentelijk De battre mon coeur cést arrête (2005), over een criminele pianist, of muzikale crimineel, gevangenisdrama Un Prophète (2009, Grand Prix van Cannes) en de curieuze romkom De rouille et d’os (2012), over de liefde tussen en geblokkeerde straatvechter en een orkatrainster zonder onderbenen.

„Ik kritiseer mijn eigen werk liever niet”, zegt Audiard. „Maar mijn vorige film, De rouille et d’os, werkte minder goed dan ik had gehoopt. Het script was misschien te literair, volgde te dicht het programma van het melodrama, met omkeringen en terugkerende thema’s. Dheepan is losser geschreven, ik had een compleet Plan B, met allerlei alternatieve scènes. Dat bood veel meer ruimte om te improviseren met de acteurs.”

Dheepan begon aanvankelijk als bewerking van Straw Dogs, Sam Peckinpahs thriller uit 1971 waarin Dustin Hoffman een schuwe wiskundige speelt die in het oude dorp van zijn Britse vrouw komt wonen, tot intimidatie en een controversiële verkrachting door dorpelingen hem tergen tot een bloedige afrekening.

De finale van ‘Dheepan’ bevat nog een echo van ‘Straw Dogs’, maar waar is de rest van die film gebleven?

„Onderweg spoorloos verdwenen. Drie jaar geleden begon ik met een wraakfilm, asielzoekers versus drugdealers. Ik wist al snel dat die asielzoekers Tamils moesten zijn. Maar het idee prikkelde me niet echt en ik stond op het punt het script op te geven toen ik de dramatische en komische mogelijkheden van een nepgezin van Tamils zag, dat alleen voor de verblijfsvergunning bij elkaar is.”

Een nepgezin dat in de eigen leugens gaat geloven. Dat herinnert ook aan uw film ‘Un héros tres discrèt’ (1986) over het naoorlogse Frankrijk, waar mensen zichzelf heruitvinden als oorlogsheld ...

„Ik accepteer dat het een thema van me is: de realiteit als leugen, de leugen die een realiteit wordt. Pas toen dat thema erbij kwam, werd ik echt enthousiast over dit script.”

Waarom moesten het Tamils zijn?

„Omdat ik niks van ze afwist. Het moest gaan over mensen die uit een hel ontsnappen, zoals de burgeroorlog in Sri Lanka. En ze moesten heel ver afstaan van de Franse cultuur. Dus geen koloniale banden, zoals Cambodjanen of Afrikanen. Wij weten niks over hen, zij niks over ons.”

Uw film lijkt actueel, gezien de huidige immigratiecrisis in Europa. Voor een deel van de jury in Cannes speelde dat ook een rol. Maar het lijkt u te ergeren als men ‘Dheepan’ als politiek commentaar ziet.

„Natuurlijk heeft Dheepan een politiek dimensie, maar niet wat veel journalisten erin zien. Het gaat eerder over integratie dan immigratie, en het politieke debat interesseert me niet zo. Als u daar meer over wilt weten, bekijk dan een documentaire. De politieke daad is volgens mij dat ik een Franse film op Franse bodem van tien miljoen euro heb gemaakt waarin nauwelijks Frans wordt gesproken. En die, ook dankzij die Gouden Palm, het goed doet in de bioscoop en straks prime time op televisie wordt uitgezonden.”

Uw film bevat interessante observaties. Een tolk die in feite beslist of een asielzoeker wordt toegelaten of niet ...

„Die scène is op research gebaseerd, dat levert altijd verrassingen op. Maar veel is gewoon fictie. Ik betwijfel of een immigrant zo gemakkelijk een baantje vindt als conciërge of dat een buitenwijk zo openlijk geregeerd wordt door drugsbendes. Licht absurde scènes over Dheepans contact met de Franse bureaucratie pasten uiteindelijk niet in de film, bijvoorbeeld een ceremonie op een politiebureau waar men samen de Marseillaise zingt bij het uitreiken van de verblijfspapieren.”

De zwarte artistiek directeur van het filmfestival van Toronto twitterde dat blanke critici moeite hebben om zich met deze outsiders te identificeren. Ze passen zich niet aan, kijken vooral verbaasd om zich heen.

„Een Tamil die ons exotisch vindt, dat leek mij boeiend. Montesquieu hield in de 18de eeuw Frankrijk een spiegel voor met een briefroman, Lettres persanes. Twee Perzen, Iraniërs, komen naar Parijs. Ze lijken naïef: wat voor ons vanzelf spreekt, doet dat voor hen niet. De een past zich aan, de ander raakt in zichzelf gekeerd en in zijn eigen cultuur.”

Uw hoofdrolspeler, de Tamilschrijver Jesuthasan Antonythasan, vocht zelf als guerrillastrijder bij de Tamil Tijgers. Hij vertelde me dat hij na 22 jaar in Frankrijk nauwelijks eeen woord Frans spreekt. ‘Ik lees Tamilboeken, kijk Tamilfilms en eet Tamil-eten. Mentaal ben ik nog in Sri Lanka.’

„Dus dat zegt hij?” Audiard maakt grinnikend een bullshitgebaar. „Zo heb ik een Argentijnse vriend die perfect Frans verstaat en schrijft, maar ik versta geen woord van wat hij zegt door zijn accent. Anderen zijn bang hun identiteit te verliezen als ze een vreemde taal spreken. Ieder het zijne.”

Dheepan belandt van de ene in de andere oorlog. Zegt dat iets over integratie, of bent u gewoon een fatalist?

„Dat is niet mijn wereldbeeld, maar de manier waarop ik cinema bedrijf. Mijn helden zijn outsiders, en een film heeft conflict nodig. Ik maak er altijd een ‘hero’s journey’ van, vol uitdagingen. En maar hopen dat onderweg de held in hem boven komt.”