‘90 procent vindt dat Piet zwart moet blijven’

Dat schreef minister Lodewijk Asscher op Facebook.

Foto Jerry Lampen/ANP

De aanleiding

Lodewijk Asscher is om. Eerst wilde hij het uiterlijk van Zwarte Piet níét aanpassen, nu vindt hij dat Zwarte Piet niet meer zwart kan blijven. Dat betoogde de minister van Sociale Zaken (PvdA) althans zaterdagochtend in een uitgebreid Facebookbericht, waarin hij uitlegt waarom hij daarover van mening is veranderd.

Daarmee maakte hij zich bij veel mensen niet populair, wist hij. „Het antwoord dat Nederland geeft, is duidelijk”, schreef Asscher (zonder zich daarbij neer te leggen). „90 procent vindt dat Piet zwart moet blijven, dat men zich er niet mee moet bemoeien en dat het aanstelleritis en slachtofferitis is. Case closed. Next.”

90 procent? We voelen ons uitgedaagd: dat percentage gaan we checken.

Waar is het op gebaseerd?

Via Twitter vragen we Asscher om zijn bron, en hij reageert meteen met een link naar een peiling onder het EenVandaag Opiniepanel, met een verwijzing naar een percentage van 87.

En, klopt het?

Die 87 procent is niet helemaal het juiste cijfer om de stelling te onderbouwen. Dit rolde namelijk als percentage ja-zeggers uit de vraag of het „een slechte zaak” is „dat de VN de rol van Zwarte Piet onderzoekt”. De vraag wat er moet gebeuren met het uiterlijk van Zwarte Piet, wordt ook gesteld. Landelijke uitkomsten zijn niet vermeld, wel percentages per provincie. Die liggen rond de 90: in Zuid-Holland vindt 84 procent dat Piet niet aangepast moet worden, in Flevoland gaat het om 97 procent.

Daarmee zou Asscher dus redelijk correct zitten – als we deze cijfers mogen geloven. Maar: dit onderzoek is bijna twee jaar oud, uit oktober 2013. Dat was de tijd waarin het racismedebat net gemeengoed werd. Het zou nog een jaar duren voordat de gemeente Amsterdam besloot de intocht aan te passen en het Sinterklaasjournaal zich mengde in het debat.

Sindsdien zijn nogal wat mensen van mening veranderd over Piet, zie minister Asscher. Maar zie óók de EenVandaag-opiniepeiling uit oktober 2014, die Asscher ook had kunnen kennen. Toen werd aan dezelfde groep mensen dezelfde vraag gesteld: of ze vonden dat het uiterlijk van Piet aangepast moest worden. Nee, zei 77 procent in Noord-Holland en 88 procent in Limburg. Landelijk was het 83 procent. De cijfers lagen dus vele procentpunten lager.

De grote meerderheid van het panel blijft tegen verandering, maar omdat deze cijfers onder grofweg dezelfde groep gemeten zijn, zien we wel dat veel mensen van mening zijn veranderd. Toevallig kwam EenVandaag afgelopen weekend met nieuwe cijfers: nu zegt 76 procent dat er niets moet worden aangepast aan Piet. De meningsverandering zet dus door.

Maar hoe representatief is deze peiling eigenlijk? Wat vóór het EenVandaag-panel spreekt is dat het vrij groot is: 50.000 mensen. Maar zulke bevolkingsenquêtes, via een online vragenlijst, moeten altijd met een korrel zout genomen worden. De deelnemers hebben zich zelf aangemeld, waardoor in zo’n panel een bovenmatig ‘opiniërend’ deel van de Nederlanders vertegenwoordigd is.

Daarnaast zijn, zoals ombudsman voor marktonderzoek Lex Olivier eerder in deze rubriek aanstipte, minderheden in de bevolking „sterk ondervertegenwoordigd” in dit soort panels. Dat zijn groepen waarin het pleidooi vóór verandering van Zwarte Piet wel vaker gesteund wordt.

Wat de percentages statistisch bovendien problematisch maakt, is dat de ‘non-respons’ voor deze specifieke enquêtes behoorlijk hoog is. Aan de drie genoemde Zwarte Piet-polls deden zo’n 19.000 (in 2013), 28.000 (in 2014) en 20.000 (in 2015) mensen mee – terwijl het gehele panel veel groter was. Het totale aantal mensen dat gevraagd werd deel te nemen, lag in de drie jaren tussen de 45.000 en 50.000 deelnemers. Ongeveer de helft van de deelnemers gaf dus geen antwoord. Dat zou de uitslag kunnen beïnvloeden: het maakt de cijfers in elk geval minder representatief dan je zou willen.

Conclusie

De 90 procent waarnaar minister Lodewijk Asscher verwijst komt uit 2013, terwijl de mening in Nederland verandert, zoals blijkt uit dezelfde peiling van een jaar later. Hoe Nederland er nu precies over denkt, is niet te zeggen, ook omdat de hoge non-respons op de enquêtes de representativiteit van de cijfers kan beïnvloeden.

We beoordelen de bewering van Asscher daarom als ongefundeerd.

    • Thomas de Veen