Op de Brusselse vleesmarkt draait alles om pluxen

In het hart van Europees Brussel klopt de Place du Luxembourg. Op ‘Plux’ draait het om de flirt, in de hoop op politiek wisselgeld.

Foto François Lenoir/Reuters

Meubels heb je niet nodig als je naar Brussel komt. „Het meisje van wie ik de kamer overnam, had alleen een matras. Je komt met niks, je hebt niks nodig. Hier leef je als een nomade.”

Op een Brussels terras geniet Basje Bender van de hectiek rondom. Loeiende sirenes en passanten die elkaar in alle talen proberen te overstemmen. Het Europese politieke seizoen is weer begonnen, de eurocraten zijn terug van reces, en op vochtige zolderetages pakken jonge EU-stagiaires nerveus hun koffers uit. Ze komen uit alle 28 EU-lidstaten.

Hoe hun leven er in Europa’s hoofdstad uit gaat zien? Ze doen er goed aan Benders deze week verschenen roman Brussel te lezen. De luchten zijn grijs, de straten zijn grijs, de pakken zijn grijs, de gebouwen van de Europese instellingen zijn grijs. Alles grijs, maar allemaal anders grijs.

Het fragment uit haar boek stemt niet vrolijk. Maar Bender, een frêle Nederlandse, is van al die tinten grijs gaan houden. „Brussel is niet mooi, maar de mensen die er werken zijn geweldig!”

Haar eigen ervaringen als stagiaire bij de Europese Commissie zijn de bouwstenen van Brussel, waarin het hoofdpersonage Elvie, een 27-jarige lobbyiste, zich een weg baant door de krochten van het Europese machtsbolwerk. Afspraken ritselen met Europarlementariërs, informeel lunchen, zaken draften, iets wat haast alles kan betekenen.

En Elvie weet waar ze moet zijn om te draften. De Place du Luxembourg is na werktijd het kloppende hart. „Afgekort: Plux”, zegt Bender over het plein waar op donderdagavonden iedereen aanschuift, gewapend met stapeltjes visitekaartjes, verhit door de gasbranders bij de buitenbars en geterroriseerd door de stampende muziek. Wát je zegt doet er nauwelijks toe. Het gaat om de flirt, die in het beste geval wat politiek wisselgeld oplevert.

Draften heet op Plux pluxen. Bender: „Ik plux, jij pluxt, wij pluxen. In de Brusselse zeepbel weet iedereen waarover je het hebt.” Plux wordt ook ‘de Vleesmarkt’ genoemd. „Very senior EU-beleidsmedewerkers hengelen er naar jonge stagiaires.”

In de roman schildert Elvie de mensen in die zeepbel af als zeer goedbetaalde asielzoekers. Europa’s hoogopgeleiden, die weigeren te integreren in Brussel, dat ze beschouwen als een lieu de passage, een tijdelijke standplaats waar je komt om te nemen, niet om te geven.

Schrijfster Bender is minder streng. „Brussel trekt als een magneet aan talenten. Voor het geld doen ze het niet. Met hun kwaliteiten zouden ze in het bedrijfsleven veel meer verdienen.”

Op zondagen zie je ze zitten op het terras van Café Belga aan het Flageyplein: de stagiaires uit landen als Italië en Spanje, met op hun schoot de leerboeken. Blokken voor het concours, de beruchte toets die mogelijk uitzicht biedt op een baan bij de Europese Commissie of de Europese Raad. „Voor Spanjaarden en Italianen, die thuis grotere economische malaise kennen, is een baan in Brussel een redding”, zegt Bender. „Ze trainen zich suf op dat concours, de meesten zijn ook nog eens gepromoveerd en spreken vier talen. De banenmarkt is enorm competitief.”

Bender vertrok na haar Brusselse stage met pijn in het hart naar Nederland, waar ze nu aan de Universiteit van Amsterdam werkt aan haar promotie. „Alles in Nederland is perfect geregeld en saai. Brussel is chaos, maar daardoor zeer creatief.”

Tijdens de research voor Brussel kwam ze slechts één andere roman van een EU-insider tegen. „Een Poolse madam die een Brusselse variant op Vijftig tinten grijs heeft geschreven, over hoe de eurocraten hier allemaal met elkaar het bed in duiken.”

Benders boek is minder expliciet. Hoofdpersoon Elvie fladdert door de stad, van een afspraakje met een Maltees naar een lunch met een Italiaan en een diner met een Fransman. „Zo ervoer ik Brussel toen ik hier aankwam”, zegt Bender. “Het is een open, speelse stad. Vaste partners – als die er al zijn – zijn vaak achtergebleven in Londen, Amsterdam of Boedapest. Er zijn er in de Brusselse zeepbel niet veel die om zes uur ’s avonds zeggen: ik moet naar huis, want daar wordt op mij gewacht.”

    • Tijn Sadée