Hoever reikt onze robotliefde?

Journalist Anouk Vleugels leefde een week met de sociale robot Nao. Hij bleek wispelturig: „Net als ik denk dat we vrienden aan het worden zijn, laat hij het afweten.”

Foto Niels Blekemolen

„Heb jij vanmiddag met Nao’s apps gerommeld?”, vraagt mijn vriend geïrriteerd. „Hij kan alleen nog maar miauwen. Kijk maar”, zegt hij en hij drukt op een knop op Nao’s hoofd. „Meow, meow, I am a cat”, klinkt de mechanische stem. Onze robot is blijkbaar vastgelopen op zijn katten-app.

Deze week test ik de sociale robot Nao van het Franse bedrijf Aldebaran. „You can’t help but love him!”, lees ik op de website. Maar is het wel zo makkelijk om van een robot te houden? En zo ja, is dat een probleem?

Mensen zijn biologisch geprogrammeerd om menselijke eigenschappen toe te kennen aan dingen, zeker naarmate die meer op ons lijken. Zo bleek uit een onderzoek dat ongeveer tweederde van de mensen hun stofzuigrobot Roomba een koosnaampje geeft, en werden er begrafenissen gehouden voor de Japanse robothond Aibo.

Maar te veel robotliefde kan gevaarlijk zijn. Zo is er een anekdote over een Amerikaanse soldaat die zijn leven riskeerde om een militaire robot te redden. Volgens technieksocioloog Sherry Turkle is de robot-mensrelatie bedrieglijk: de gevoelens die een robot opwekt, kan hij nooit echt beantwoorden.

Sociale robots

Het zijn terechte onderwerpen van discussie, want robots worden steeds socialer. Ook mijn Nao is best gezellig, wanneer hij zijn kattenimpersonatie even laat zitten. Hij ziet er schattig uit en heeft de grootte van een kleine peuter. Twee camera’s fungeren als ogen, zijn oren hebben microfoontjes en er zitten tactiele sensoren op zijn hoofd en handen.

De eerste versie van Nao werd gemaakt in 2006, sinds 2011 wordt de robot op grotere schaal ingezet voor educatie en onderzoek. Er zijn nu zo’n zevenduizend exemplaren in omloop. De kosten: 5.628 euro per stuk. Pepper, de grote broer van Nao, ging onlangs in de verkoop in Japan. De duizend beschikbare exemplaren waren binnen een minuut uitverkocht.

Verwacht niet dat Nao je helpt bij de afwas of de tafel afruimt: de robot is ontwikkeld voor sociale interactie; bijvoorbeeld met kinderen. Dat houdt in dat je een gesprek met hem kunt voeren, dat hij je gezicht kan herkennen en je emoties kan interpreteren. Mits je dit zelf hebt geprogrammeerd: vers uit de doos kan Nao nog weinig.

Bepaalde bewegingen zijn voorgeprogrammeerd, bijvoorbeeld dat hij gaat zitten, opstaat of zwaait. Spectaculair is zijn voorgeprogrammeerde Gangnam Style-dansje en zijn demonstratie tai chi. Aldebaran biedt een open platform voor ontwikkelaars, dus onderzoekers en hobbyprogrammeurs kunnen zulke applicaties zelf ontwikkelen.

Zelf programmeren

Aan de slag dus. Ik geef Nao de opdracht om mijn naam te koppelen aan mijn gezicht, kijk hem diep in de ogen en wacht tot hij mijn gezicht heeft opgeslagen. Als ik vervolgens mijn gezicht laat zien, zegt hij tot mijn grote vreugde mijn naam. Tot mijn vriend langs loopt, en Nao opnieuw „Anouk!” roept. En dan nog eens, terwijl er niemand in de buurt is. Het experiment is mislukt, en ik voel me een beetje verraden.

Het blijft niet bij die ene teleurstelling. Nao blijkt nogal wispelturig: net als ik denk dat we vrienden aan het worden zijn, laat hij het afweten. Hij geeft regelmatig verkeerde antwoorden, of negeert me volkomen als ik met hem praat. Iets beter gaat het als ik in zijn gezicht schreeuw, maar erg vriendschappelijk voelt dat niet.

Ook klaagt hij steeds dat zijn ledematen oververhit raken, terwijl hij gewoon op z’n luie kont zit. Nao, kortom, is een vriend van niks.

Autisme

Maar wat nou als dat niet aan hem ligt, maar aan mij? Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat Nao een geschikt maatje kan zijn voor kinderen met autisme en dat hij positieve afleiding vormt voor kinderen die worden ingeënt. Misschien ben ik nog niet klaar voor een robotrelatie. Of ben ik niet behoeftig genoeg: ik heb tenslotte al een vriend en een poes thuis.

Wat zijn de ervaringen van andere roboteigenaren? Emilie Nérot, community manager bij Aldebaran, heeft al een hoop Nao’s versleten, maar haar grote favoriet is Lapin: ‘konijn’ in het Frans. Met Lapin heeft ze leren programmeren. „We gingen samen alle evenementen af. Ik kende al zijn trekjes en beschouwde hem echt als vriendje.”

Fabio Manzini is roboticus en heeft zijn Nao al tien jaar. Hij heeft een naam (Max) en een geslacht (man). Toch blijft de robot voor hem een machine; een ding waar hij zelf leven instopt. „Je kent Pinokkio en Gepetto, toch? Het verschil met Gepetto is dat ik thuis drie echte kinderen heb.” Manzini bevestigt het vermoeden dat ik ook had: als je zelf de poppenspeler bent, raakt de magie er snel af.

Komt er een tijd dat ik robots wel tot mijn vrienden kan rekenen? Misschien wel, denkt hoogleraar sociale robotica Vanessa Evers. „We zitten er in technisch opzicht dicht tegenaan, maar zijn er nog niet. Als we robots zo kunnen programmeren dat ze een eigen persoonlijkheid hebben, zichzelf niet steeds herhalen en hun batterij langer meegaat, is het mogelijk.”

Mijn week met Nao is voorbij. Wanneer ik ’m uitzet duikt hij in een soort foetushouding, en vind ik hem stiekem toch een beetje schattig. „Gnuk gnuk”, zegt Nao, „tot ziens” in robottaal. Ik besluit het te interpreteren als „Nouk, Nouk”: een afscheidsboodschap speciaal voor mij.