Heeft de verzekeraar te veel macht in de zorg?

Thuiszorgorganisatie Careyn kondigt aan dat het zorgverzekeraar Zilveren Kruis Achmea voor de rechter daagt. De zorgverzekeraar wordt de laatste tijd steeds vaker voor de rechter gesleept. Waar komt die vijandigheid vandaan?

Foto Thinkstock

Een rechter die zich buigt over een conflict tussen zorgverzekeraar en zorginstelling. Apotheose van een hoog oplopende ruzie, met altijd dezelfde achterliggende reden. Een verschil van inzicht tussen artsen – die de beste zorg willen voor hun patiënten – en zorgverzekeraars – die ook de beste zorg voor patiënten willen, maar dan wel zo goedkoop mogelijk.

Vandaag kondigt thuiszorgorganisatie Careyn in deze krant aan dat het zorgverzekeraar Zilveren Kruis Achmea voor de rechter daagt. De thuiszorginstelling is bang dat de aangekondigde Utrechtse pilot ‘Zorg in de Wijk’ van de zorgverzekeraar zal leiden tot een verslechtering van de thuiszorg. De angst: specialistische teams die verdwijnen, minder tijd voor patiëntenzorg en thuiszorginstellingen die voor een koopje patiënten willen verzorgen.

Dat zorgverzekeraars en zorginstellingen elkaar in de rechtbank treffen, is geen incident. In de laatste maanden stonden logopedisten in de rechtbank tegenover Achmea en vochten zowel audiciens als tandartsen een juridische strijd uit met diezelfde zorgverzekeraar. Op dit moment procederen klinieken voor verslavingszorg tegen verzekeraar Menzis. Meestal worden geschillen onderling opgelost, maar soms is de rechter het laatste redmiddel. Waar komt die vijandigheid vandaan?

Dezelfde kwaliteit, maar minder geld

De basis voor de botsingen is gelegd in 2006, bij het ingaan van de nieuwe Zorgverzekeringswet. Die maakte de zorgverzekeraars de nieuwe stuurman van de zorg. Vier zorgverzekeraars hebben 90 procent van de markt in handen: Achmea, Menzis, VGZ en CZ. Zij betalen de zorg voor patiënten die bij hen verzekerd zijn; buiten het verplichte eigen risico van minimaal 375 euro. Met artsen en zorginstellingen maken ze afspraken over de zorg die zij moeten leveren en hoeveel dat mag kosten. Van de minister hebben de verzekeraars bovendien de taak gekregen om de totale zorgkosten - 90 miljard euro – niet verder te laten stijgen, want deze drukken zwaar op de Rijksbegroting.

Zorgverzekeraars zoeken daarom naar allerlei manieren om artsen uit te dagen hun werk voor minder geld te verrichten, maar wel tegen dezelfde kwaliteit. De verzekeraars proberen daardoor patiëntenzorg stevig te sturen. Soms leidt dat tot frontale botsingen, in allerlei beroepsgroepen.

De soms botsende belangen veroorzaken wantrouwen tussen zorginstellingen en verzekeraars. Bestuurder Wim Schouten van ggz-instelling Momentum, die een rechtszaak aanspant tegen Menzis, vindt dat er „meer onzekerheid” is sinds het ingaan van de nieuwe Zorgverzekeringswet en de marktwerking die daarbij hoort. Schouten: „Jaarlijks proberen de zorgverzekeraars via hun polisvoorwaarden manieren te vinden om de schadelast te beperken. Dat leidt tot scepsis.”

Het wantrouwen – ook zorgverzekeraars ontkennen niet dat dit bestaat – is een voedingsbodem voor conflicten. Dat is nog het best zichtbaar in de huisartsenzorg. Daar werden nog geen rechtszaken gevoerd, maar is al meer dan een jaar een hoogoplopend conflict over de afspraken die worden gemaakt in de contracten die zorgverzekeraars met huisartsen sluiten. Berucht voorbeeld is dat een zorgverzekeraar van huisartsen eiste dat ze een bepaald medicijn niet meer zouden voorschrijven, maar voortaan een vergelijkbaar – goedkoper – recept aan hun patiënten zouden geven. Tweederde van alle huisartsen in Nederland tekende een manifest waarin wordt geprotesteerd tegen de machtige zorgverzekeraars. Huisartsen, zorgverzekeraars en het ministerie van Volksgezondheid willen op 1 oktober een oplossing presenteren voor het conflict. Dat lijkt goed te lopen. Zo niet, dan is het laatste redmiddel altijd nog een optie: de rechter.

    • Anne Vegterlo
    • Mirjam Remie
    • Enzo van Steenbergen