Goed dat het kabinet in beroep gaat tegen Urgenda

De rechter had in dit ‘klimaatvonnis’ moeten oordelen dat deze zaak ‘onder de Staten-Generaal’ is, vindt Frits Bolkestein.

Op 24 juni 2015 heeft de rechtbank in Den Haag een vonnis betreffende de klimaatverandering gewezen. Het burgerplatform Urgenda had gevorderd dat de rechter een bevel aan de Staat geeft om de uitstoot van broeikasgassen verder te beperken dan volgens de huidige voornemens gebeurt.

Urgenda is op 17-1-2008 opgericht en heeft als doel ‘het stimuleren en versnellen van transitieprocessen naar een duurzamere samenleving’. De Staat werd hier vertegenwoordigd door de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu.

De feiten zijn niet in het geding. Volgens het Kyotoprotocol van 1997 en het Doha-amendement van 2012 heeft de EU zich vastgelegd op een reductie van 20 procent van broeikasgassen beneden het niveau van 1990. De Staat voorziet daarentegen een geringere reductie tegen 2020, namelijk 14-17 procent. Tegen deze vermindering komt Urgenda in opstand.

De rechtbank acht het gevorderde reductiebevel toewijsbaar. Het hoofdpunt van het geschil is daarmee of de rechtbank hiermee de verdeling van bevoegdheden binnen het Nederlandse democratische stelsel doorkruist. Die verdeling wordt de Trias Politica genoemd. Het vonnis bevat een paragraaf hierover getiteld ‘Het stelsel van machtenscheiding’.

De rechtbank stelt dat het Nederlandse recht geen volledige scheiding van de staatsmachten kent. De verdeling van bevoegdheden zou strekken tot het bereiken van ‘een evenwicht’ tussen de staatsmachten. Maar de term ‘evenwicht’ kan hier niet van toepassing zijn en is dus onjuist. Immers, de drie staatsmachten – de wetgevende, de uitvoerende en de rechtelijke macht – zijn ongelijksoortig en tussen ongelijksoortige zaken kan geen evenwicht ontstaan. Zij kunnen namelijk niet tegen elkaar worden afgewogen.

De rechtbank stelt verder dat ‘de ene macht niet in algemene zin en in alle gevallen het primaat boven de andere heeft’. Dit moge zo zijn, in bijzondere gevallen bestaat dat primaat wel degelijk. Ik weet uit ervaring, hoe snel leden van de Tweede Kamer zich van een zaak terugtrekken, indien blijkt dat die ‘onder de rechter’ is. Zij willen zich daar dan niet aan branden. Naar analogie daarvan zou de rechtbank moeten oordelen dat deze zaak ‘onder de Staten-Generaal’ is. Immers, de rechtbank erkent zelf dat deze kwestie ‘ook en vooral onderwerp van politieke besluitvorming is’. De rechtbank zou daarmee Urgenda naar leden of politieke partijen van of in de Tweede Kamer moeten verwijzen.

De rechtbank stelt verder dat ook het handelen van politieke organen, zoals de regering en de volksvertegenwoordiging, kan worden beoordeeld door de (-) onafhankelijke rechter. De rechtbank noemt dit een rechtmatigheidsoordeel. Maar hij matigt zich hier een doelmatigheidsoordeel aan en betreedt daarmee wel degelijk het politieke domein. De rechtbank stelt dat ‘grote terughoudendheid of zelfs abstinentie vereist (is) als het gaat om beleidsmatige afwegingen van uiteenlopende belangen’. Dat is hier het geval want de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen raakt vele belangen. Maar van abstinentie is geen sprake.

Het lijkt erop dat de rechtbank zich heeft verslikt in de Trias Politica. Het is goed dat de Staat vandaag heeft gezegd in beroep te gaan. Het is nu wachten of het Hof deze staatsrechtelijke noviteit erkent of terugwijst.

    • Frits Bolkestein