De trainingspakken kunnen weer uit de kast

Limp Bizkit was dit jaar een van de successen op Lowlands en er staat een nieuwe golf nu-metalbands klaar. Slecht nieuws voor de critici, want die haten het: het doodverklaarde nu-metalgenre is klaar voor een revival.

Pioniers van de nu-metalsound en -look: Korn, met hun kenmerkende dreads en trainingpakken. Met frontman Jonathan Davis in het paarse exemplaar. Foto Mick Hutson / Redferns

‘Are you reeeaaaady???” Het is 1994 als Korn met deze grommende woorden hun titelloze debuut openen. Rauwe, laaggestemde gitaarriffs, een ferme hiphopgroove en de getormenteerde stem van Jonathan Davis leveren ongekend spannende en intense muziek op. En het is ook nog eens catchy.

Korn is dan net wat rock nodig heeft, amper een half jaar na de zelfmoord van Kurt Cobain. Grunge is passé, uitgemolken door opportunistische labels en nu-metal lijkt het geluid van een nieuwe generatie, niet in het minst door de teksten van Davis over vervreemding en kapotte relaties. Zeker voor zulke harde muziek zijn die ongekend open en direct: het leven is kut en daar is niks poëtisch aan.

Twintig jaar na die veelbelovende start wordt het genre gehaat met een intensiteit die verder alleen voorbehouden is aan topbankiers, crocs of het Duitse elftal op het EK ’88. Het is het genre you love to hate, ondanks de enorme successen in de jaren negentig van Korn, Linkin Park, P.O.D., Papa Roach of Limp Bizkit. Dat er met nieuwe bands als King 810, Darke Complex, Of Mice and Men en Issues een revival gaande is, wordt door de muziekpers steevast omschreven als de ‘Nu Metal Apocalypse’. Waarom komt die haat vandaan?

Eenvoud is de kracht

Als Korn met de eerste nu-metalbands in zijn kielzog om de hoek komt kijken, is eenvoud de grote kracht van het genre. Technisch gedoe is nergens voor nodig, want het zijn de rauwe emoties die tellen. Bijkomend voordeel is dat de sound veel toegankelijker wordt voor een groot publiek, wat vooral Korn en Limp Bizkit goed begrijpen.

Die eenvoud verwordt al snel tot gemakzucht. Kid Rock refereert in een interview met Rolling Stone aan zijn succesvolle nu-metalperiode in 1998-1999. Die begint als een vriendin ineens zijn zes maanden oude zoon bij hem achterlaat. Hij heeft dus geld nodig: „Dat moet lukken, dacht ik. Wat is op dit moment populair? Korn. Ik wist dat ik die shit in mijn slaap kon doen.” En zo geschiedde zijn rapmetal nummer ‘Bawitdaba’. Simpel.

Die gemakzucht maakt van het frisse genre een vervelend genre. Daar helpen de teksten niet bij. De openheid van Davis – luister naar het aangrijpende ‘Daddy’ – wordt een invuloefening voor andere bands. De focus op persoonlijke problemen maakt dat muzikanten van dertig schijven over ruzies met pa en ma over de afwas. Trent Reznor van Nine Inch Nails zei daarover in een interview met Kerrang: „Het ziet er allemaal zo onoprecht uit. Het lijkt ook wel alsof al die zangers auditie doen voor de rol van Koekiemonster in Sesamstraat.” Dat voor dergelijke teksten vol zelfmedelijden dan ook nog eens rap wordt gebruikt – dat begon als een maatschappelijk geëngageerd genre – zet nog meer kwaad bloed.

En zijn de teksten niet narcistisch, dan wel misogyn. Het gebitch in veel songs is niet van de lucht. Bands poseren met schaarsgeklede dames en duiken op in de veelzeggende filmreeks Backstage Sluts. De band Dope bereikt een fraai dieptepunt met het nummer Bitch:

The one I love / I hate / But the sex is great Ja, dan lijkt Limp Bizkit’s hit ‘Nookie’ nog op Knausgard.

Trainingsjekkies

Het formuleachtige dat het genre begint te kenmerken, wordt nog meer bevestigd door het modebeeld. Korn draagt steevast trainingsjekkies met de drie strepen van Adidas en wijde broeken waar vijf Fred Dursts in passen. Andere bands volgen met gekleurde dreadlocks, puntige baardjes, veel gezichtsijzer en vijftien kettingen om de hals en aan de portomonnee. Dat werkt tegen het genre: wie zó bezig is met het uiterlijk, moet iets te verbergen hebben. Gebrek aan muzikaal talent bijvoorbeeld. Het favoriete pispaaltje in dit geval zijn de in visnethemden gestoken vleermuisjes van Coal Chamber.

Niet zo vreemd dus dat nu-metal wordt gezien als een trucje van opportunistische bands en gretige platenmaatschappijen die makkelijk willen scoren. Voor het eerst kan er verdiend worden aan metal, en nog goed ook. Om dat te bespoedigen vergrijpen bands zich massaal aan kazige hits uit de jaren tachtig. ‘Land of Confusion’, ‘Blue Monday’ of ‘Faith’; allemaal krijgen ze een nu-behandeling. Lekker ironisch, zo lijkt het, maar het garandeert vooral een entree in de hitlijsten – en dus meer geld.

Zeker binnen de oerconservatieve metalscene valt dit niet goed, helemaal niet als ook gevestigde bands gaan collaboreren. Machine Head, ooit erfgenamen van Metallica, treden ineens op met gekke baardjes en in ruim zittende trainingspakken, en leveren met het van raps voorziene The Burning Red een enorme misser af. Sepultura neemt met Korn-producer Ross Robinson het controversiële Roots op, waar de band inderdaad een beetje als Korn klinkt (en waarop Jonathan Davis een gastbijdrage levert). En zelfs het toen nog boven kritiek verheven Slayer experimenteert met laaggestemde gitaren. Gitarist Kerry King in een uitgebreide terugblik in Decibel Magazine: „The nineties were weird.”

Natte krant

Ook binnen de hiphop vallen slachtoffers. Cypress Hill klinkt op het gitaargeoriënteerde Skull & Bones als een natte krant en Jay-Z met Linkin Park is vooral een samenwerking die ‘don’t stay’ schreeuwt. Zelfs neprapper Vanilla Ice neemt een nu metalplaat op, met Robinson nota bene.

Dát deze artiesten op de ‘bandwagon’ springen is tot daar aan toe. Experimenteren moet kunnen immers, maar het leverde nauwelijks een goeie plaat op.

Dat geldt eigenlijk voor het hele genre. Er zijn bijna geen memorabele albums uit die periode overgebleven. De combinatie van rap en metal klinkt anno 2015 pijnlijk gedateerd. Korn, Deftones en System Of A Down vallen in positieve zin nog op, maar de oogst qua albums blijft verder mager. Wel heeft het veel losse hits opgeleverd die het altijd goed doen op een nineties-feestje. Kijk maar naar Limp Bizkit in de Alpha, anderhalve week geleden.

Of een revival met nieuwe bands in betere platen gaat resulteren, moet nog blijken. De reactie van het publiek op King 810 begin dit jaar in de HMH in Amsterdam beloofde in ieder geval niet veel goeds: „1998 belt, ze willen hun songs terug!” En ja, het was inderdaad alsof we in de jaren negentig waren.

Niet dat dat de band deerde. Zoals de zanger zelfbewust gromde:

„Who’s gonna stop us now?”

    • Philippus Zandstra