De Politiecolumn: Van der Steur toont gezond verstand, maar genoeg is het niet

De koerswijziging van minister van der Steur moet worden uitgevoerd door een nieuwe generatie van beleidsambtenaren, bondsbestuurders en politiemensen. In de Politiecolumn schrijft Nijenrode hoogleraar Bob Hoogenboom over de ‘herijking’ van de reorganisatie van de politie door het kabinet.

Afgelopen maandag informeerde minister Van der Steur (VVD, Veiligheid) omstandig de Tweede Kamer over bijstellingen in de plannen voor de vorming van de Nationale Politie. Deze worden nu uitgebreid beschreven en becommentarieerd. Ik ga de minister niet herhalen, maar wil deze ‘doorstart’ in een breder perspectief plaatsen.

De analyses van de minister en de nationale politie zelf leggen – zonder dat hier expliciet naar wordt verwezen - het faillissement van het regionale politiebestel (1993-2012) bloot. Op een manier die zelfs ingewijden verbaasd. In een eventuele parlementaire enquête over de vorming van de Nationale Politie mag de voorgeschiedenis van de Nationale Politie niet ontbreken. Omdat veel van de problemen die zich nu voordoen hun wortels hebben in het disfunctioneren van de regioburgemeesters (Raad van Korpsbeheerders) en de autonome korpschefs van de regiokorpsen. De politiek-bestuurlijke stijl in deze jaren kenmerkte zich door een laissez-faire houding (bestuurders) en vasthouden aan de autonomie (korpschefs). Het ‘achterstallig onderhoud’ dat de minister constateert in de kwaliteit van de recherche, de ICT-organisatie, de bedrijfsvoering, het leiderschap, de fysieke en mentale weerbaarheid en bijvoorbeeld het politie-onderwijs zijn rechtstreeks het gevolg van de vrijblijvendheid in het oude politiebestel. De ironie is dat de meeste burgemeesters en politiebazen nog in functie zijn. Zij dragen nu de verantwoordelijkheid om eigen nalatigheden uit de wereld te helpen.

De minister schrijft – ingetogen en in mijn ogen te diplomatiek correct – over de noodzakelijke ‘versterking van kennis en kunde’ vanwege ‘de schaalsprong van de politie’. Deze vraagt om andere kennis en kunde dan nu aanwezig is in de organisatie. In het bijzonder op het vlak van de bedrijfsvoering, aldus de minister. De strategische weeffout in 2012/2013 is het niet benoemen van functionarissen van buiten met kennis en ervaring van complexe veranderingsprocessen. Dit is onderschat. Zowel door de politietop zelf, als door minister Opstelten en zijn ambtelijk apparaat. Intern zijn politiefunctionarissen op sleutelposities gekomen in het managementteam, de korpsstaf en bijvoorbeeld de bedrijfsvoering die tot op het bot loyaal en gedreven zijn. Maar niet altijd gekwalificeerd zijn voor de veranderopgave. Operationeel leiderschap is van een geheel andere orde dan veranderkunde. VenJ stond erbij en keek ernaar. De ‘doorstart’ draagt vele beloftes in zich, maar is de casting van strategische functies de juiste?

Dwars door dit alles heen raakte de inhoud van het veranderingsproces – met als overheersende doel Nederland veiliger maken door een efficiënte politieorganisatie te bouwen – nogal eens zoek door ambtelijke ruzies tussen het departement, de politietop, de staf en de politiebonden. Het hoofdstuk ‘De strijd om beleid’ in het standaardwerk Openbaar bestuur. Beleid, organisatie en politiek van de bestuurskundige Bovens e.a. is wel heel letterlijk genomen. Het algemeen belang is daardoor speelbal geworden van een bureaupolitieke ‘spel’ dat geen schoonheidsprijs verdient. Ook al omdat zaken en personen niet altijd gescheiden bleven.

Wat de minister deze week eigenlijk heeft gedaan is breken met een haast Stalinistisch top down denken en handelen dat zijn voorganger kenmerkte. Overal in onze samenleving wordt geëxperimenteerd met opwaardering van inspraak, medezeggenschap, uitvoerders en clienten centraal stellen, sociale innovatie, netwerken, consultatie en co-creatie. Alleen tot voor deze week niet door de ‘veiligheidselite’ van ons land. De minister neemt meer tijd, geeft burgemeesters meer inspraak, de korpsleiding gaat meer op afstand staan en politiebazen en teamchefs krijgen meer vrije ruimte. De deur is open gezet voor gezond verstand.

Is dit genoeg? Ik vind van niet. Gramsci schrijft aan het begin van de 20e eeuw over een samenleving die zich in een overgangs- of tussenfase bevindt: ‘het oude systeem is aan het afsterven, het nieuwe kan nog niet tot leven komen en in die tussenfase openbaart zich een aantal morbide symptomen’. Hij gebruikt het woord decadentie. Omdat delen van de elite onnatuurlijk gedrag gaan vertonen. Omdat er inactiviteit van velen is. Omdat de elite de problemen wel ziet maar de daadkracht ontbeert veranderingen door te voeren. Het gevolg is dat delen van de samenleving in een vrije val geraken. De enige oplossing, volgens Gramsci, is een circulatie van de elite. Nieuwe mensen, die niet belast zijn met het verleden moeten het roer overnemen.

De koerswijziging van minister van der Steur moet worden uitgevoerd door een nieuwe generatie van beleidsambtenaren, bondsbestuurders en politiemensen. En, deze nieuwe generatie dient aangevuld te worden met mensen uit het bedrijfsleven, met vrouwen, met hoger opgeleiden, met Nederlanders van allochtone herkomst. Dit vraagt van de minister – naast het vervaardigen van beleidsnoties – ook om de casting serieus te nemen.

Bob Hoogenboom is hoogleraar fraude en regulering aan Nyenrode en bijzonder hoogleraar Politiestudies en Veiligheidsvraagstukken aan de VU. De Politiecolumn wordt afwisselend geschreven door deskundigen uit het politieveld.

    • Bob Hoogenboom