Western op de lege Groningse prairie

In het lege noorden van Groningen namen bewoners het initiatief tot een musical. Nu dansen er cowboys naast aardappelfabriek Aviko, op muziek van Ennio Morricone.

Foto Karel Zwaneveld

Landschap. Een weg met zilverpopulieren erlangs, daarachter productieland. Rationeel is het hier. We zijn hier niet voor de schoonheid of voor onze lol. Bruin aardappelloof, de eerste geëgde velden, percelen raaigras waarin geen enkel bloempje of blaadje bloeit. Raaigrassprieten zijn zo stijf als een nepgazon. Boeren zijn er dol op. Burgers niet. Die zijn romantisch, die willen klaprozen en klavers en hoog opschietende zuring en schapen die tot aan hun buik in de weelde staan.

Dat staan de boeren soms oogluikend toe.

Erboven enorme luchten. De horizon is ver. Soms staat er een dijk voor de horizon. Achter die dijk zie je dan weer het dak van een boerderij.

Geen kleintje. De boeren in Noord-Groningen waren niet arm. Ze bouwden kolossale schuren, en rijke voorhuizen met versierde raam- en deurlijsten.

In dat land staat de Aviko/Rixona-aardappelfabriek, een eindje achter Warffum. Het mooie Warffum, uweetwel, een van die Groningse wierdedorpen (wierde = terp) met een twaalfde-eeuwse kerk gebouwd van kloostermoppen (kloostermop = grote, middeleeuwse baksteen). Daar even buiten staat de aardappelfabriek dus, waar ze geen aardappelen maken uiteraard, maar aardappelgranulaat. Een soort grof aardappelpoeder waarvan snacks worden gemaakt. Wokkels. Chips.

Prairiejurk

Op het achterterrein staat een cowboy. Hij is in het zwart met een grote hoed en ziet er schietgraag uit. In een van voren opengesneden bouwkeet is een elegant interieur geplaatst: rode kleedjes, een tafel en mooie stoeltjes. Op een dijkje dansen een man in een driedelig pak met cowboylaarzen daaronder, en een vrouw in een lange pioniersjurk met een klein hoedje op haar knot.

Dit is de plek. De locatie. De locatie van de eerste echte Groningse aardappelwestern: Hände hoch cowboy.

Verhaal. In een krakkemikkige caravan, versierd met prijsbekers en een verschoten afbeelding van een huilend zigeunerkind, en omringd door plastic stoelen en onbestemde oude rotzooi, wonen twee broers. Ze zijn niet helemaal goed bij hun hoofd, vooral de ene niet, Job. Ze leveren aardappelen aan een grote fabrikant, Attema. De mannen van Attema komen elke dag de aardappelen halen.

Op een dag komt er een vrouw hun leven binnen stappen. Ze weet dingen. Over de dood van hun broer Kees. Over de plannen van Attema met het land waarvan de broers denken dat het van hen is. De vrouw weet dat het niet van hen is. Niet meer. Het is nu van Attema.

De broers kijken graag televisie. Vooral films met ‘hoeden en paarden’, in het Duits nagesynchroniseerd. Het is de broers, vooral die ene, Job, niet steeds duidelijk wat film is en wat niet. Job ziet ook op zijn aardappelland scènes uit Once upon a Time in the West, de film die de broers zowat uit hun hoofd kennen.

Niet alleen Job ziet die scènes. Het publiek van Hände hoch Cowboy ziet ze straks ook. In de opengesneden bouwkeet zit opdrachtgever Morton, begerig naar het land van de McBains. Uit een rood-groene autobus stapt de man ‘Harmonica’ en wordt opgewacht door drie handlangers van ‘Frank’. De ijskoude moordenaar Frank is er ook – we zien hem in de verte op een dijkje het hele gezin McBain uitmoorden.

Het is allemaal hoogst bevreemdend en tegelijkertijd is het verhaal van de broers heel nuchter. Attema wil windmolens op hun land zetten. De vrouw probeert dat te verhinderen. Dat kan.

Maar dat er een elektrische gitaar klinkt over de voormalige vloeivelden van de Aviko, dat een amateurfanfare de muziek van Ennio Morricone ten gehore brengt terwijl achter ze een berg aardappelafval onverstoorbaar ligt te stinken, dat zie je minder vaak.

Aardappelkisten

Het noorden. Producente Gerrie Jonker laat de locatie zien op een druilerige maandag. De fabriek bromt, regisseur Lies van der Wiel draaft met haar assistente heen en weer over het wel heel grote terrein en vertelt tussendoor enthousiast over deze productie die op dit moment meer een verzameling losse rommel lijkt, verdwaald achter een aardappelmeelfabriek, dan theater. De drie professionele acteurs dragen regencapes. Nanette Edens, Mads Wittermans en Wouter van Oord komen uit of wonen in het noorden en deden alle drie ooit de Theatervooropleiding de Noorderlingen. Zij zijn de geheimzinnige vrouw en de twee aardappelbroers. Ze dwalen wat over het natte asfalt en door het natte gras bij het water waarin vuil aardappelwater stroomt.

Wat als het straks ook zulk waardeloos weer is?

„Er is geen plan B”, zegt Gerrie Jonker. „De locatie is de voorstelling. Die ruige velden, de waddendijk daarachter, dat water, die fabriek… Als het regent moeten we het uitstellen.”

Het is allemaal al jaren geleden begonnen, toen Jonker, zelf woonachtig in Warffum, de Stichting Culturele Projecten Hoogeland oprichtte (het Hoogeland = het noorden van Groningen waar het aangeslibde land relatief hoog is). Ze maakte een succesvolle voorstelling in Warffum en toen had ze de smaak enorm te pakken. De volgende keer, zei ze tegen de mensen met wie ze gewerkt had, wilde ze graag iets doen met Once upon a Time in the West, en met de muziek van Ennio Morricone. „Een aardappelwestern dus” zei iemand en die benaming zette veel in gang. Sponsorgeld onder meer, want wie wil nu niet meewerken aan een aardappelwestern?

De plaatselijke bevolking in ieder geval wel. Een boer heeft de oude caravan afgestaan waarin de twee broers wonen. Een andere boer heeft de aardappelkisten uitgeleend waarvan de foyer gebouwd wordt. Het Busmuseum Hoogezand leende de bus uit die de plaats inneemt van de trein uit de film.

Jan Zijlstra, locatiemanager van de Avikofabriek, stond zijn fabrieksterrein af, en bovendien mogen de acteurs in het gebouw oefenen. „Je moet als bedrijf ook wat terug doen voor je gemeente”, vindt hij. En hij heeft er aardigheid in, in al die lui die over zijn terrein scharrelen. „Mijn personeelsbestand is in één keer met 150 procent uitgebreid”, grinnikt hij. Vrijwilligers lopen hele dagen te klussen. Uit de omgeving zijn allerlei mensen te hulp geschoten om tribunes te bouwen, decors te verven, kostuums te transporteren.

Alle cowboyscènes worden gedaan door amateurspelers die er geweldig veel lol in hebben, hoewel het veel van hun tijd vraagt: ze zijn al vanaf april bezig. De jongeman die de gemene moordenaar Frank speelt, hoopt op een beetje roem. Hij had ook al eens tussen andere figuranten in een bus gezeten die in een televisieserie voorbij kwam rijden – „Dus in principe ben ik al op tv te zien geweest.”

Fanfare

De montage. Op een zonnige zaterdag ziet alles er heel anders uit dan in de regen. Er zijn cowboys en pioniersvrouwen. Er is muziek: een professioneel kwartet aan de ene kant, de amateurfanfare aan de andere. De fanfare is de eerste repetitiezaterdag nog niet op volle sterkte aanwezig, sommigen hadden een familiedag, anderen ontdekten ineens dat ze toch best ver van de Aviko-fabriek af woonden.

Maar als ze beginnen te spelen lopen je de rillingen over de rug. Het is ontroerend om hier de muziek van Morricone te horen klinken, vertolkt door verlegen meisjes met trompetten en dorpsjongens met bügels.

De cowboys hangen tegen de grote grommende fabriek, in de weeiige geur van aardappelen. De acteurs sjouwen met kruiwagens rond hun krakkemikkige caravan. De vrouw die ze moet redden van de windmolenmaffia dwaalt in een groene jurk over een grasdijk.

En dat alles onder die wijde hemel, voor de Groningse prairies.