Strakke, jonge stemmen in een volle kerk

Thema ‘Engeland’ is dit jaar in Utrecht een rode draad met veel kansen maar ook knopen

Musici van ensemble in residence Vox Luminis spelen muziek van Purcell, zaterdagavond in zaal Hertz van TivoliVredenburg op het Festival Oude Muziek Utrecht Foto Rien Zilvold

„Ik speel niet tenzij ik geroerd ben”, non nisi mota cano, staat er op het klavecimbel. een replica van een Vlaams instrument uit 1624. Maar veel tijd om daarover na te denken was er niet, zaterdag in de kamermuziekzaal Hertz in TivoliVredenburg. Op een late night-concert zogen meesterklavecinisten Pierre Hantaï, Skip Sempé en Olivier Fontin in werken van o.a. Byrd en Dowland virtuoos mee in de verrassingen van het ongehoorde. Of deze muziek destijds zó in huiskamers klonk? Lastig voorstelbaar. Maar Byrd en Dowland floreerden bij de hypervirtuoze en complexe meerstemmigheid die hier zeshandig tevoorschijn werd getoverd.

Het Festival Oude Muziek heeft dit jaar Engeland als thema: een rode draad met kansen en knopen. De Engelse muziekcultuur is rijk en interessant en het veelzijdig programma getuigt daarvan, maar het openingsconcert in TivoliVredenburg met Jordi Savall en Heperion XXI was vrijdag een van de teleurstellendste sinds jaren.

Het begon veelbelovend frivool, met energieke sabeltapdans (rapper sword dancing) van de ‘worldfamous’ Newcastle Kingsman. Maar het daarna door gambaconsort gespeelde repertoire uit de tijd van Elizabeth I bleek hoewel intiem en verfijnd ook wel erg monochroom. De opwinding en vervoering hadden moeten komen van Savall op zijn discantgamba, maar het samenspel tussen hem en de overige musici ontbeerde de nodige scherpte in intonatie, interactie en ensemblespel. Ein Schottisch tanz bracht een frisse w ind– wat veelzeggend leidde tot een tussenapplausje.

Het Festival Oude Muziek geldt nog steeds als een van de sterkste in Europa, maar het worstelt met de financiën. Een oplossing werd gevonden in een onverminderd rijk aanbod van vaak wat kleinschaliger concerten. Sinds vorige week gloort er licht aan het eind van de tunnel, nu het festival terug lijkt te komen in de Basisinfrastructuur (BIS). Maar voordien „hebben we serieus overwogen er na deze editie ermee te stoppen”, aldus directeur Xavier Vandamme.

Een hoogtepunt van het eerste weekend van deze 34ste editie was zaterdag de strakke zang van het Britse vocale ensemble Stile Antico. De twaalf zangers zijn meestens jong, vroeg in de dertig, en dat hoor je. Heldere stemmen vlochten in de grote Jacobikerk samen tot een prachtig geheel, waarin nergens een individu het voortouw nam. In een halve cirkel zorgden ze ervoor dat muziek van John Sheppard (1515-1558) opbloeide door menselijke en muzikale interactie: naar elkaar kijken, luisteren – en dan dáárop reageren. Juist dan heb je als luisteraar het gevoel even echt dicht bij het verleden te zijn.

Jordi Savall verzorgde zaterdag ook de eerste eventalk: een dagelijks lezing die hier („We zitten op een Titanic maar hebben het niet door") niet heel vernieuwende, maar wel imposante stof tot nadenken bood – over de relatieve ‘nieuwheid’ van het kunnen genieten van eeuwen muziek bij voorbeeld, wat ons heden dan tot de échte Renaissance van de kunstmuziek maakt.

Ensemble-in-residence Vox Luminis bracht omkransend en aansluitend prachtige, zeer uitgesproken gezongen en gespeelde begrafenismuziek van Purcell, met de Music for the funeral of Queen Mary als hoogtepunt, ook door de creatieve benutting van de zaalarchitectuur.

De zangers van Vox Luminis zijn er vanavond opnieuw, dan met Purcells King Arthur. Was dat nou geen spannender openingsprogramma geweest?