Politici bij kunstdebat: ‘versterk jullie lobby’

Ze hadden samen gegeten en zo waren ze erachter gekomen dat ze in elk geval aan tafel in een restaurant dezelfde taal spraken, ja misschien wel vergelijkbare opvattingen hadden over de relatie tussen kunst en politiek: drie kunstenaars en drie politici, PvdA-Kamerlid Jacques Monasch, D66-fractieleider Alexander Pechtold en CDA-Kamerlid Mona Keijzer.

De politici hadden dat wel verwacht, zei Pechtold gisteren in Paradiso, waar aan het slot van de Amsterdamse Uitmarkt voor de dertiende keer het Paradisodebat over de stand van de cultuur werd gehouden. Politici zijn gewone mensen, zei hij, die niet alleen in beleidstaal praten.

Maar in die beleidstaal is de afgelopen jaren wel veel bezuinigd op kunst en cultuur. De centrale vraag van het debat was dan ook hoe de kunsten zich daartegen kunnen verweren. „Kijkend naar de kunsten zie ik een heel fragiel bouwsel”, zei inleidend spreker Robbert Dijkgraaf, directeur van het Institute for Advanced Study in Princeton (wiens lezing in deze krant zaterdag in ingekorte versie verscheen). Dijkgraaf maakte een vergelijking met de wetenschap: van oudsher ook een bezigheid van liefhebbers, maar nu in het bezit van „een imposante infrastructuur van universiteiten, laboratoria en academies”.

De kunsten hebben zo’n ontwikkeling niet meegemaakt. En dat was meteen zijn pleidooi: versterk het collectief. „In de wetenschap is het niet ongebruikelijk dat iemand tegelijk onderzoeker, bestuurder en columnist is”, in de kunsten zou je je kunnen voorstellen dat iemand een tijdje opkomt voor de sector, dus niet alleen de museumdirecteur maar ook de kunstenaar zelf.

Het pleidooi werd door politici en kunstenaars onderschreven. Alleen, vroeg theatermaker en schrijfster Marjolijn van Heemstra zich af, „is er iemand die dat gaat durven?” Pechtold zei te hopen dat er een steviger kunstlobby bij hem aan gaat kloppen dan tot nu toe. „Kom op, vertel wat het verschil maakt als kunstenaar.”