Zwarte gaten

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week het eerste hoofdstuk uit Wat ons niet zal doden, een extra deel van de Zweedse Millennium-trilogie.

Lisbeth lag diagonaal op het grote tweepersoonsbed toen ze wakker werd en ze realiseerde zich dat ze over haar vader had gedroomd. Een dreigend gevoel legde zich als een mantel over haar heen. Maar toen herinnerde ze zich de dag van gisteren en besefte ze dat het ook een chemische reactie in haar lichaam kon zijn. Ze had een enorme kater, stond wankelend op en liep naar de grote badkamer met de jacuzzi, het marmer en al die andere idiote luxe om over te geven. Maar het enige wat er gebeurde, was dat ze moeizaam ademend op de grond zakte.

Na een tijdje stond ze op en keek ze in de spiegel, maar daar werd ze ook niet bepaald opgewekter van. Haar ogen waren bloedrood. Aan de andere kant: het was nog maar kort na middernacht. Ze kon niet meer dan een paar uur hebben geslapen. Ze pakte een glas uit het badkamerkastje en vulde het met water. Op hetzelfde moment kwamen de beelden uit haar droom terug, en toen kneep ze het glas kapot, vloekte daarover en begreep dat ze niet meer zou kunnen slapen.

Zou ze proberen het versleutelde bestand te kraken dat ze gisteren had gedownload? Nee, dat zou zinloos zijn, op dit moment althans, dus ze draaide een handdoek om haar hand, liep naar haar boekenkast en haalde er een nieuw boek van de Princeton-natuurkundige Julie Tammet uit, die beschreef hoe een grote ster uiteenvalt tot een zwart gat, en daarmee ging ze op de rode bank bij het raam zitten, met uitzicht op Slussen en de Riddarfjärd.

Toen ze begon te lezen, knapte ze een beetje op. Het bloed drupte wel van de handdoek op de pagina’s en haar hoofd bleef zeer doen, maar ze raakte steeds meer verdiept in het boek en af en toe maakte ze een aantekening in de marge. Eigenlijk was het geen nieuws voor haar. Ze wist als geen ander dat een ster in leven wordt gehouden door twee elkaar tegenwerkende krachten: kernexplosies binnenin, die de ster naar buiten duwen, en de zwaartekracht, die hem bij elkaar houdt. Ze beschouwde het als een evenwichtsoefening, een tweekamp, die lang in balans blijft maar uiteindelijk eindigt wanneer de kernbrandstof opraakt, de explosies in kracht afnemen en er onherroepelijk een winnaar komt.

Wanneer de zwaartekracht de overhand krijgt, trekt het hemellichaam zich samen als een ballon waar de lucht uit gaat en wordt het steeds kleiner. Een ster kan zo tot niets slinken. Buitengewoon elegant uitgedrukt in de formule

rsch = 2 GM

i9

waarin G de zwaartekrachtconstante is, had Karl Schwarzschild al tijdens de Eerste Wereldoorlog het stadium beschreven waarin een ster zo wordt samengedrukt dat zelfs het licht er niet meer uit kan en dan is er geen weg meer terug. In zo’n situatie is het hemellichaam gedoemd in te storten. Alle atomen worden naar binnen getrokken, naar een singulier punt waarop tijd en ruimte ophouden te bestaan en er misschien nog vreemdere dingen gebeuren, trekjes van irrationaliteit midden in het aan wetten gebonden universum.

Deze singulariteit, die misschien niet zozeer een punt is als wel een soort gebeurtenis, een eindstation voor alle bekende natuurkundige wetten, wordt omgeven door een gebeurtenishorizon en vormt daarmee tezamen een zogeheten zwart gat. Lisbeth hield van zwarte gaten. Ze voelde zich ermee verwant.

Toch was ze, net als Julie Tammet, in eerste instantie niet geïnteresseerd in de zwarte gaten op zichzelf, maar in het proces dat ze tot stand brengt, en dan vooral in het feit dat de collaps van de sterren begint in het wijde, uitgestrekte deel van het universum dat we doorgaans verklaren vanuit de relativiteitstheorie van Einstein, maar eindigt in het minuscule wereldje dat gehoorzaamt aan de beginselen van de kwantummechanica.

Lisbeth was ervan overtuigd dat ze, als ze dat proces kon beschrijven, twee onverenigbare talen kon samenbrengen: de kwantumfysica en de relativiteitstheorie. Maar dat ging haar vermogens waarschijnlijk te boven, net als die verdomde encryptie, en onherroepelijk begon ze weer aan haar vader te denken.

Toen Lisbeth jong was, had die klootzak haar moeder heel vaak verkracht. Daar bleef hij mee doorgaan totdat haar moeder er geestelijk onherstelbaar door was beschadigd. Op haar twaalfde sloeg Lisbeth met verschrikkelijke kracht terug. In die tijd had ze er nog geen idee van dat haar vader een overgelopen topspion van de Russische militaire inlichtingendienst gru was, laat staan dat hij door een speciale afdeling van de Zweedse veiligheidsdienst, de zogeheten Sectie, ten koste van alles werd beschermd. Toch begreep ze toen al dat er een raadsel om haar vader heen hing, een duister geheim waar je niet bij in de buurt mocht komen, waarvan je zelfs niet mocht zeggen dat het er was.

Op alle brieven en officiële post stond ‘Karl Axel Bodin’ en alle buitenstaanders werden ook geacht hem Karl te noemen. Maar het gezin in de Lundagatan wist dat dat een valse naam was en dat hij eigenlijk Zala heette, of preciezer: Alexander Zalachenko. Hij was iemand die mensen met kleine dingetjes de stuipen op het lijf kon jagen. Het ergste was dat hij een onkwetsbaarheidsmantel droeg; die indruk had Lisbeth in elk geval.

Hoewel ze toen zijn geheim nog niet kende, besefte ze wel dat haar vader ongestraft van alles kon uithalen. Dat was ook een van de redenen waarom hij zo’n akelige grandeur uitstraalde. Hij was iemand die geen normale wegen bewandelde, en daar was hij zich maar al te zeer van bewust geweest. Andere vaders kon je bij de sociale dienst en bij de politie aangeven. Maar Zala werd gedekt door machten die daar ver boven stonden. Wat Lisbeth zich vannacht in haar droom had herinnerd, was de dag waarop ze haar moeder bewusteloos op de vloer had aangetroffen en besloot haar vader onschadelijk te maken.

Dat was haar echte zwarte gat. Samen met nog iets.