VVD’er geeft Tweede Kamer boekhoudles

Het stoorde hem enorm dat Kamerleden basale (financiële) vragen niet stellen. Nu is er de methode-Duisenberg.

Pieter Duisenberg: „Alléén cijfermatige controle is te weinig. Het debat moet ook nog ergens over gaan.” Foto Merlijn Doomernik

Eenvoudige, voor de hand liggende vragen als ‘Wat wil de minister bereiken?’ en ‘Wat heeft de minister bereikt?’ worden in het parlement nauwelijks gesteld. Pieter Duisenberg (48) stoorde zich er mateloos aan, toen hij in september 2012 voor de VVD in de Tweede Kamer kwam. De zoon van wijlen Wim Duisenberg, voormalig minister van Financiën en president van De Nederlandsche Bank had toen al een twintigjarige carrière in het bedrijfsleven achter de rug. Hij was onder meer controller en financieel directeur geweest bij Shell en Eneco. Met die boekhoudachtergrond trad hij toe tot de vaste Kamercommissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

„Ik had me voorgenomen om op een gestructureerde manier naar de begroting te kijken, zoals ik dat gewend was te doen”, vertelt hij drie jaar later aan de vooravond van het nieuwe parlementaire jaar. Bij ‘zijn’ departement gaat het jaarlijks om meer dan 30 miljard euro. Dus zette hij zich kort na Prinsjesdag 2012 aan het lijvige boekwerk en noteerde op een kladblok „de juiste vragen”. Hij somt op: welke doelen wil de minister met die 30 miljard bereiken? Komen die overeen met de gebudgetteerde bedragen? Wat zijn de grote verschuivingen ten opzichte van het jaar ervoor? En: hoe kan de Kamer nadien goed controleren dat de dingen zijn uitgevoerd zoals bedoeld was? „Zó bereid je je voor.”

Het plenaire debat dat drie maanden later volgde was voor Duisenberg een totale deceptie. Een paar dagen eerder was een pijnlijk onderzoeksrapport verschenen over de ondergang van scholenkolos Amarantis. Duisenberg: „Dus het debat ging voornamelijk dáárover. Heel belangrijk hoor, maar wel een incident. We namen niet de tijd voor een gestructureerde behandeling van onze begroting.”

Zijn frustratie en verontwaardiging brachten het toen 45-jarige Kamerlid tot het initiatief om de analyse van de onderwijsbegroting én de controle van de jaarrekening achteraf te professionaliseren. Hij schetste een werkwijze en blauwdruk die door zijn commissie werd omarmd en inmiddels door drie andere Kamercommissies is geadopteerd: Sociale Zaken, Volksgezondheid en Infrastructuur & Milieu.

De methode-Duisenberg is letterlijk uit het bedrijfsleven overgenomen en werkt als volgt. Analoog aan een audit committee van een raad van commissarissen van een onderneming benoemt de Kamercommissie OCW uit haar midden twee ‘begrotingsrapporteurs’. In het eerste seizoen was dat Duisenberg zelf met voormalig wiskundeleraar Paul van Meenen van D66. De twee rapporteurs lopen zowel eind september de begroting voor het komende jaar door als, in mei, het dan door de minister gepresenteerde jaarverslag over het voorgaande jaar. Aan de hand van een standaardvragenlijst, met zes hoofdvragen en 28 subvragen, maken ze een analyse van beide documenten. In een PowerPoint-presentatie rapporteren zij die aan de commissie.

Dat verslag leest als een schoolrapport: „Streefwaarden centraal schriftelijk examen Engels en Wiskunde meer dan gehaald”. En: „Opbrengstgericht werken in primair onderwijs nog grote sprong nodig’. Per ‘streefdoel’ kleuren de rapporteurs een stoplichtje in: rood betekent ‘uitvoering niet volgens plan’, groen ‘volgens plan’ en oranje ‘verdient aandacht’. Uiteindelijk komen de rapporteurs tot het oordeel of het jaarverslag al dan niet wordt goedgekeurd en dus of de minister decharge krijgt.

Dit lijkt erg op wat de Algemene Rekenkamer doet met de jaarlijkse verantwoordingsrapporten over alle ministeries. Doet de Kamer zo niet dubbel werk?

„Zie de Rekenkamer als de externe accountant van de regering. Wij gebruiken die aanbevelingen ook voor ons oordeel, net zoals een raad van commissarissen de conclusies van de accountant gebruikt voor een eigen oordeel over de directie en het gevoerde beleid.

„De Rekenkamer toetst vooral op rechtmatigheid, of belastinggeld binnen de juridische kaders wordt uitgegeven. Dat is doorgaans in 99,7 procent van de gevallen zo. Daarmee weet je alleen nog niet of belastinggeld goed is uitgegeven. Die doelmatigheidstoets doet de Rekenkamer ook, maar steekproefsgewijs, met een paar thema’s per jaar. Een actief parlement wil dit zelf doen en structureel op alle terreinen.

„De Kamer krijgt door deze methode een betere informatiepositie, om haar controlewerk beter te kunnen uitoefenen. En we kijken meer naar de lange termijn. Doordat we per commissie twee rapporteurs gestructureerd en objectief naar de begroting laten kijken voorkom je dat ieder individueel Kamerlid zelf elk jaar met al die dikke dossiers voor z’n neus gaat zitten en er iets willekeurigs uitpikt om op te schieten.”

Waarom hebben niet alle Kamercommissies deze methode overgenomen?

„Vorig jaar hebben Paul van Meenen en ik ons verslag naar de gehele Kamer gestuurd. Bij sommige commissies heb ik daarna nog presentaties gehouden. Er is zeker belangstelling, maar ik weet niet precies waarom sommige commissies er nog niet toe zijn overgegaan. Het is hun vrije keuze. Ik snap best dat dit niet per se leuk werk is, waarmee je kunt scoren. Het is monnikenwerk, dat veel tijd kost. Ik heb uren met Paul met een rekenmachine boven de begroting gehangen. Dat moet je maar willen.

„Mijn droom is dat dit systeem ooit tot de standaardwerkwijze van de Kamer gaat behoren. Dat het net zo vanzelfsprekend zal zijn als stemmen. Ik heb het nooit zo voorgelegd aan mijn fractie of aan het presidium van de Kamer. Vooralsnog wil ik het van onderaf ontwikkelen, in de hoop dat andere commissies het zullen overnemen omdat zij er zelf het nut van inzien.”

Hoe voorkom je dat een begrotingsrapporteur van een regeringspartij ‘zijn’ minister spaart?

„Allereerst door het met z’n tweeën te doen, zowel van oppositie als van coalitie. Mijn ervaring is dat we over 99 procent van de onderwerpen geen discussie hebben. Bij een enkel geval komt de politieke kleur wel om de hoek kijken. Dan besluiten we er geen oordeel goed of fout bij te zetten, maar maken gewoon een feitelijk staatje met cijfers. En als de een ergens een rood stoplichtje wil zetten en de ander een oranje, dan komen we daar doorgaans als volwassen mensen wel uit.”

Een rapporteur van een regeringspartij kan zijn bewindspersoon ook juist onhandig beschadigen.

„Het kan soms inderdaad pijnlijk zijn. Maar als blijkt dat een minister op een bepaald onderdeel gewoon een onvoldoende scoort zou je als Kamerlid geen knip voor de neus waard zijn als je dat niet durft te signaleren. Zo zagen we in onze commissie dat de doelstelling om alle leraren in 2017 in het lerarenregister op te nemen [waarin vakbekwaamheid wordt bijgehouden, red.] nog lang niet op schema ligt. De teller staat op 2 procent. Je hoeft niet van de oppositie te zijn om vast te stellen dat dat in dit tempo niet gaat lukken.”

De methode die Pieter Duisenberg heeft geïntroduceerd heeft trekken van het systeem dat GroenLinks-leider Jesse Klaver zo verfoeit: het ‘economisme’, waarin alle beleid wordt teruggebracht tot cijfertjes zonder ruimte voor subjectieve of idealistische waardeoordelen. Toch is ook Klaver, tot voor kort lid van de commissie OCW, gecharmeerd van het controlesysteem van Duisenberg. „Het is zeker een nuttig hulpmiddel bij onze taken als Kamerlid”, zegt hij. „Maar ik zie het vooral als een aanvulling, het moet niet ons werk vervangen. Alléén cijfermatige controle is te weinig. Dat zou ons werk depolitiseren. Het debat moet ook nog ergens over gaan.”

Duisenberg kan Klaver geruststellen: „Na een toets van alle kale feiten blijft er genoeg over om politiek mee te bedrijven. Bij het debat straks over de begroting zullen we het echt weer veel oneens zijn.”