Niet alleen het pesten zelf is erg, ook die mensen die méélachen

Daders en slachtoffers denken verschillend over pesten. Er is niet altijd één waarheid.

1 Hoe meet je hoeveel er gepest wordt op een school?

Eerst leg je kinderen uit wat pesten is: dat iemand regelmatig expres vervelend doet tegen iemand die zich daar machteloos over voelt. Dan vraag je: word jij gepest? Het kan gebeuren dat heel gevoelige kinderen ten onrechte het idee hebben dat ze gepest worden, zegt socioloog René Veenstra. „Maar we willen altijd weten of een kind zelf het gevoel heeft dat het gepest wordt. Uiteindelijk is er bij pesten ook niet maar één waarheid. Het is niet vreemd dat daders en slachtoffers verschillend denken.” Slachtoffers noemen iets ook sneller pesten dan daders. „De dader kan denken dat het een geintje is, terwijl bij het slachtoffer de emmer al vol was. Soms is ook één blik van de pester genoeg om van alles op te rakelen.”

2 Waarom straffen we kinderen die pesten niet gewoon zo erg dat ze het nooit meer doen?

Dat wilde de PVV graag, en omdat daders registreren en straffen niet in de wet Sociale veiligheid op school staat, stemde de PVV tegen. Maar wie naar onderzoek kijkt, ziet dat daders bestraffen een slecht idee is. Sommige daders zijn ook slachtoffers. Sowieso wisselen de rollen in een klas, bleek vorig jaar uit promotieonderzoek van de Groningse socioloog Gijs Huitsing. „En soms zijn daders oprecht verbaasd dat iemand zo bang voor hen is”, zegt René Veenstra. „Bovendien: als je daders straft moet je niet verbaasd zijn dat die wraak willen nemen voor het klikken.” En de kinderen die toekijken en meelachen zijn weliswaar zélf geen dader, maar het slachtoffer heeft ook last van hen. „Heel vaak gaat het om de groep”, zegt Veenstra. „Je moet als leerkracht niet in een rol komen dat je als een rechercheur gaat uitzoeken wie de schuld heeft. Je moet uitzoeken hoe het kan dat dit een klas is waar sommigen pesten en anderen toekijken.” Goede antipestprogramma’s zijn erop gericht die groepsdynamiek aan te pakken.

3 Mensen die gepest zijn, kunnen daar lang psychische problemen van houden. Maar hadden ze al niet bepaalde psychische problemen, waardóór ze gepest werden?

Dat geldt wel voor angstige en depressieve kinderen: die lopen een veel groter risico om gepest te worden, blijkt uit onderzoek van onder anderen Minne Fekkes van TNO. Maar door het pesten worden ze ook nóg angstiger en somberder. „Het is dus belangrijk om kinderen die niet zo weerbaar zijn weerbaarder te maken”, zegt Fekkes. Maar je alleen op slachtoffers richten helpt niet. Veenstra benadrukt dat je ook de groep moet aanpakken: „Anders komt een ander kind onderaan de pikorde en wordt dat kind slachtoffer.”

4 Die mensen die onderzoek doen naar pesten werden zelf vroeger zeker ook allemaal gepest?

De mensen die voor dit artikel bevraagd zijn in elk geval niet. Ze geven alle drie toe dat ze weleens meegepest hebben. „Er was één meisje dat altijd stonk en dat gaten in haar kleren had”, zegt Veenstra, „en we sloten haar buiten. We dachten er nooit aan om haar te steunen.” Orobio de Castro kan zich het gevoel dat bij meepesten hoort nog goed herinneren: „Je denkt dan: ik kan beter meedoen, want als ik niet bij de groep hoor, weet ik niet wat er straks met mij gebeurt. Heel gênant. Toen een juf me erop aansprak schaamde ik me zo dat ik direct stopte.” In een goed antipestprogramma, zegt hij, wordt niet alleen het pesten zelf maar ook dat meelachen aangepakt.