Kunst: het beste middel tegen blikvernauwing

De politiek vraagt steeds meer van de kunsten, maar betaalt minder. En de kunsten? Die verweren zich slecht. Het collectief is zwak en onderling verdeeld. Dat doet de wetenschap beter, constateert Robbert Dijkgraaf.

Illustratie Hajo Illustratie Hajo

Werf nieuw publiek. Vindt nieuw geld. Onderneem. Wees toegankelijk. Luister naar de samenleving. Maar bovenal, blijf jezelf. De politiek heeft vele boodschappen voor de kunsten. Het supermarktwagentje is overvol geladen, maar bij het afrekenen aan de kassa zit er weinig in de portemonnee. En wat is de boodschap van de kunsten aan de politiek? Is het alleen: reken af en ga uit de weg?

De wereld van kunst en cultuur is de afgelopen jaren ingewikkelder geworden. Een sterk fundament van stabiele instellingen, betrouwbare overheid en genereuze fondsen werd een zee van afbrokkelend drijfijs. Jonge kunstenaars zoeken hun weg in dit ‘nieuwe normaal’, al schotsje springend van project naar project. Naast de verstrooide geleerde kennen we nu de versnipperde kunstenaar. Men moet, letterlijk, van alle (uit)markten thuis zijn. De toekomst van het theater is beeldend beschreven als optreden op duizend podia. Is het een spiegelpaleis van onbeperkte mogelijkheden of een doolhof om in te verdwalen?

Een van de meest pertinente boodschappen van de overheid is dat de kunsten zich meer moeten verbinden met het ‘echte leven’, als een reflectie van onze tijd. Maar dit punt ontkent de overstijgende rol van de kunsten. Zij verbeelden namelijk niet alleen het hier en nu, maar evenzeer het verleden en de toekomst. In de nieuwe wereld staan geen wegwijzers of onderschriften. Gelukkig duiden boeken, films en beelden de toekomst als een cultureel déjà vu. Van de helikopter van Leonardo da Vinci tot de maanreis van Jules Verne weten kunstenaars verder vooruit te kijken dan futurologen of politici.

Op dezelfde wijze vangt kunst ons verleden. Het oude Griekenland, onze Gouden Eeuw of het tsaristisch Rusland leven voort in de beelden van Pergamon, de doorkijkjes van Vermeer of de romans van Tolstoj. De kunst heeft vaak letterlijk het laatste woord. We denken in de verleden tijd via de blijvende verbeelding.

Ook het hier en nu krijgt een diepere lading. Kunst is een gesublimeerde vorm van de werkelijkheid. Literatuur is echter dan echt. Er schuilt zelfs een kunstenaar in ons allen. Ons brein is een fabriek van metaforen en associaties. Wij kunnen dingen onmogelijk zien voor wat ze zijn. Door miljoenen jaren evolutie zijn wij erop gespitst interessante details uit de soep aan informatie te vissen. Ons oog wordt onweerstaanbaar aangetrokken door dat ene ritselende blaadje in de jungle waaronder een tijger zich schuil kan houden. In ons hoofd wordt ieder beeld gephotoshopt, iedere lijn aangezet, iedere kleur verhoogd. Daarom is een karikatuur herkenbaarder dan een foto. Diep van binnen zijn we allemaal cartoonisten.

Als de kunst zo goed de verleden, tegenwoordige of toekomstige tijd kan duiden, is de kunstenaar dan de perfecte waarzegger, geschiedkundige of politiek analist? Moet het Centraal Planbureau voortaan dichters en schilders in dienst nemen? Niet noodzakelijk. Want het hagelschot van de verbeelding is een grof instrument en treft niet altijd doel. Maar kunst is wel het beste middel tegen blikvernauwing.

Er is hier een directe parallel met de wetenschap. De uiteindelijke impact van een kunstwerk of wetenschappelijke ontdekking is namelijk zelden direct meetbaar. Grote doorbraken zijn vaak een kleine stap opzij, niet een lange voorspelbare mars voorwaarts. Van het gebaande pad te treden is echter niet gemakkelijk.

Ik had vroeger een kat die ik graag op schoot hield, zelfs tegen zijn zin. Op een gegeven moment kon ik mijn hand loslaten, maar de kat bleef vechten tegen de klemgreep van de denkbeeldige hand. Eenzelfde onzichtbare hand in ons hoofd houdt onze verbeelding gevangen. Creativiteit is de gave om door deze beperking heen te breken. Een extra radarscherm aan de rand van onze blik, waar het nieuwe zich kan manifesteren.

In deze fundamentele rol van blikopener zijn kunst en wetenschap in het diepst publieke zaken. De lange-termijnopbrengsten kunnen niet worden afgeschermd en vloeien uiteindelijk terug naar de hele maatschappij. Ze maken voor iedereen de wereld groter en rijker. Onzichtbaar zetten zij zich af in de haarvaten van het leven. De avant-gardemuziek van vandaag is de reclamedeun van morgen. Een modern schilderij het behang van de toekomst.

Dit is de fundamentele paradox: kunst is een publiek goed en vraagt een goed publiek, maar zij kan alleen functioneren door zich naast, boven of onder de alledaagse werkelijkheid te plaatsen. Alleen door afstand van het publiek te nemen, kan een verrijkend perspectief geboden worden. Deze noodzakelijke distantie is niet hetzelfde als een maatschappelijk vacuüm of een afwezige politiek. Zelfs al heb je duizend podia ter beschikking, niemand speelt graag voor een lege zaal.

Publiek begrip en vertrouwen zijn essentieel om cultuur te laten bloeien, maar dat neemt niet weg dat het aan de kunsten is zich goed te organiseren. Hier kan wellicht iets geleerd worden van de wetenschap. Kunst en wetenschap liepen lang zij aan zij als een typische bezigheid van amateurs, in de oude zin van ‘liefhebbers’. Maar tijdens de industrialisatie van de 19e eeuw nam de wetenschap een andere weg en bouwde een imposante infrastructuur van universiteiten, laboratoria en academies, die het belang van onderzoek beschermen en uitdragen. Deze gesloten schil van instituties schept juist de open ruimte om vrij te denken en diep te graven. Het stelt de wetenschap in staat vele maatschappelijke rollen te spelen zonder intellectuele samenhang te verliezen. Natuurlijk staat dit bouwwerk onder druk, zeker in tijden van bezuinigingen, maar dit is ook de bedoeling. De infrastructuur is juist gebouwd om bescherming te bieden tegen de wispelturige tijdgeest.

Kijkend naar de kunsten zie ik een veel fragieler bouwsel, waar de gure buitenwind gemakkelijker binnenwaait. Er zijn sterke individuen, maar het collectief opereert zwak, met weinig onderling begrip. Verdeel-en-heers lijkt in de cultuurpolitiek nog steeds te werken. De persoonlijke verschillen zijn adembenemend groot, van de naamloze massa van worstelende kunstenaars tot de kleine elite van internationale supersterren. Als de kunst een land was, zou het een bananenrepubliek zijn met onaanvaardbare maatschappelijke ongelijkheid en onrust.

De vele mogelijkheden om samen te werken, tussen individuen of instellingen, worden onderbenut. Een eenvoudige berekening leert dat uit tien personen al zo’n 3,6 miljoen mogelijke samenwerkingsverbanden te maken zijn. Juist in ons compacte land met zijn unieke poldercultuur en tolerantie voor individualiteit, kan de kunstwereld veel eensgezinder optrekken.

De kunsten kunnen er ook zelf meer aan doen om beter begrepen te worden. In de wetenschap is het niet ongebruikelijk dat iemand tegelijkertijd onderzoeker, bestuurder en columnist is. Maar in de cultuursector zou er bij de combinatie van scheppend kunstenaar, museumdirecteur en criticus snel gefronst worden. Toch helpt het als meer mensen vanuit het veld zich weten te verplaatsen in de stoel van ambtenaar, journalist of publiek, zonder hun principes bij de receptie achter te laten.

De kunsten sleuren hun wagentje met maatschappelijke boodschappen achter zich aan. Gelukkig hoeft niet iedereen alles op te pakken. Collectief is de cultuursector veelzijdig, talentvol en sterk genoeg om alle uitdagingen aan te gaan. Niet als een leger van doorgedraaide Nikkelen Nelissen, maar een goed ingespeeld orkest.

Mijn boodschap voor de kunsten zou zijn: omarm je publiek. Maak je breed en sterk. Verbind je onderling. Maar bovenal, blijf laten zien wat het leven de moeite waard maakt.