Katrina heeft alles verpest

Inwoners van New Orleans zoeken hun toevlucht op hoger gelegen grond als eind augustus 2005 de dijken zijn doorgebroken als gevolg van de orkaan Katrina.

Veertig jaar lang woonde Henry Irvin jr. in een levendige straat. Zijn drie zoons speelden elke dag buiten met de negen kinderen van de buren. Ja, het was ruig. Zijn wijk, de Lower Ninth Ward, gold als een van de onveiligste buurten van New Orleans, met de hoogste moordcijfers van de stad. Maar het was er ook saamhorig, zegt Irvin (79), weduwnaar en gepensioneerd luchtvaartmedewerker. Iedereen kwam bij hem langs voor advies. ‘Burgemeester van Lower Ninth’ werd zijn bijnaam.

En nu? Kom mee, zegt Irvin. Hij staat op van zijn stoel, en sjokt, zijn versleten knieën vervloekend, naar buiten. „In de hele straat ben ik de laatst overgebleven bewoner. In de straat hiernaast zie je alleen nog een kerk. Daarachter heb je de eerste bewoonde huizen.” Nieuwkomers, zegt hij, die een buitenkansje zagen, omdat de grondprijs zo laag is. „Ik ken ze niet.”

Hij wijst naar de noordzijde van zijn huis. Zijn straat is de laatste waar nog huizen staan. De volgende straat is leeg, en helemaal overwoekerd. Daarachter begint het water. „Lower Ninth is een jungle geworden. Mijn buren zijn de wasberen, de konijnen en herten.”

Vandaag tien jaar geleden sloeg Katrina toe in New Orleans. Terwijl de orkaan aan de Amerikaanse zuidkust het land bereikte, steeg het water op sommige plekken acht meter of meer. De laaggelegen Lower Ninth Ward, omsingeld door de Mississippi, een kanaal en een meer, was kansloos. De dijken die de wijk moesten beschermen aan de kanaalzijde, werden vernietigd alsof ze er niet stonden.

Geen wijk in New Orleans werd zo zwaar getroffen als de Lower Ninth. Naar schatting zijn hier in de laatste augustusdagen van 2005 een paar honderd doden gevallen. Het totale dodental is ongeveer 1.800, waarvan het overgrote deel in New Orleans is gevallen. Zelfs de daken in de Lower Ninth Ward waren meestal niet hoog genoeg om te kunnen ontsnappen aan het stijgende water. De meeste inwoners vluchtten, en verdwenen voorgoed. De wijk telde in 2004 14.000 inwoners. Vijf jaar na de ramp woonden er nog geen 3.000. Waar ze naartoe zijn? Zelfs Henry Irvin weet het niet. Een enkele oud-buurman belt nog wel eens, en is verbaasd dat Irvin de telefoon opneemt.

Het huis van Henry Irvin ligt dichtbij de waterkant, op het laagste punt van de wijk. Hij had net tijd om met zijn zoons en wat spulletjes te vluchten. Zijn bescheiden bakstenen huis, waar hij sinds 1964 woont, kwam volledig onder water te staan. Maar: het dreef niet weg. „Het huis van de linkerburen werd opgetild en ging drijven. Dat van de buren rechts ook. Ze dreven allebei tegen mijn huis aan, alsof ze van plek wilden ruilen. Dat heeft mijn huis op zijn plek gehouden, denk ik.”

Henry Irvin keerde een paar jaar na Katrina terug naar zijn huis. Hij knapte het een beetje op, al oogt het nog altijd als een bouwval. Hier wil hij sterven. Sinds zijn terugkeer draagt hij een T-shirt: Katrina Survivor.

Incompetentie

Henry Irvin was een uitzondering, en dat maakt hem een eenzame bewoner in zijn wijk. Tijdens en kort na Katrina ontvluchtten tienduizenden inwoners New Orleans. Het inwonertal daalde in die dagen van bijna een half miljoen naar zo’n 330.000. Het ging meestal om Afro-Amerikanen. Juist de economisch meest achtergestelde wijken, zoals de Lower Ninth Ward, werden het zwaarst getroffen door Katrina, en door de bestuurlijke incompetentie in de dagen erop. Nog altijd is een groot deel van de inwoners van toen zoek. Er wonen ruim 100.000 minder Afro-Amerikanen in New Orleans dan in 2005.

Het trauma van 2005 is nog altijd voelbaar in New Orleans. Het Ogden Museum of Southern Art verzamelt verhalen van inwoners, die op briefjes aan de muur worden geplakt. „Waar zijn alle kinderen gebleven?”, vraagt een lerares van een verdwenen basisschool zich af. „Ze zijn allemaal weg, maar ik ben ze niet vergeten.” Iemand anders schrijft: „Katrina heeft me pijn en alleen maar nachten met huilbuien bezorgd. Katrina heeft alles verpest. Katrina heeft mij verpest.”

Afhankelijk van wie je spreekt, hoor je twee versies van de geschiedenis. Dit is de eerste: New Orleans werd in de afgelopen tien jaar een voorbeeld van een stad die zich heeft kunnen herstellen van een traumatische gebeurtenis. Kijk maar: de meeste wijken zijn volledig hersteld, en sprankelen nog meer dan ze in 2005 deden.

Sommige rauwe buurten van weleer zijn hipster-enclaves geworden, met yogastudio’s, koffiebarretjes en hondenparken. De dijken zijn verhoogd. Het toeristische French Quarter, met op iedere straathoek muzikanten, is drukker dan ooit. ’s Nachts wordt hier nog op straat gedanst. De huizenprijzen in populaire wijken zijn verdubbeld. Bij jonge, hoogopgeleide blanke gezinnen is New Orleans, de stad van de jazz, van Louis Armstrong en Fats Domino, in trek geraakt.

Proeftuin

President Barack Obama, die deze week op bezoek was in New Orleans, is een aanhanger van die versie. „Het project van wederopbouw”, zei hij donderdag, „ging er niet om de stad te herbouwen, maar om een stad te bouwen zoals die moet zijn. Waar iedereen een kans krijgt, ongeacht hoe je eruitziet, hoeveel geld je hebt, waar je geboren bent.” New Orleans is volgens Obama een metafoor voor het Amerika onder zijn presidentschap, dat een zware economische crisis te boven kwam.

Er is ook een tweede versie van de geschiedenis. Dat is een verhaal van wanhoop en ontgoocheling. Het vertelt hoe de lokale en landelijke overheid een groot deel van de bevolking in de steek lieten, en van de arme bewoners af wilden. Hoe de stad een proeftuin werd voor wilde plannen, die meer kwaad dan goed deden. „Het is de tegenstelling tussen blank New Orleans en zwart New Orleans”, zegt voormalig New York Times-journalist Gary Rivlin, auteur van het onlangs verschenen boek Katrina After the Flood. „Het zwarte deel van de stad heeft altijd gehoord dat alle problemen op magische wijze zouden verdwijnen. Maar die problemen zijn alleen maar groter geworden. De les van Katrina voor Afro-Amerikanen is dus: zie je wel, we tellen niet echt mee.”

Zondvloed

Hoewel niemand het zo zei, zagen veel bestuurders Katrina niet alleen als een ramp, maar ook als een soort zondvloed. Het water zou vernietigen, maar daarna zorgen voor een nieuw begin. De Lower Ninth Ward, de plek met de hoogste moordcijfers van New Orleans en een armoede van 40 procent, paste daar niet meer in. Een hoge ambtenaar zei al na twee weken in een interview: „Hier kan niets aan gered worden.” Een minister uit het kabinet van toenmalig president George W. Bush noemde het zelfs „verkeerd om de Lower Ninth Ward weer op te bouwen”. De bewoners waren al grotendeels vertrokken. Waarom niet de achterblijvers uitkopen?

Een probleemwijk die zichzelf opheft: het leek veel beleidsmakers een aanlokkelijk idee. Er werden in de maanden hierop inderdaad 700 inwoners uitgekocht, maar een echt einde aan de wijk kwam er niet. De stad liet na hevige protesten de plannen varen om de wijk met de grond gelijk te maken. Veel leegstaande huizen konden niet worden gesloopt, omdat de eigenaars onvindbaar zijn. Nog altijd staan veel gebouwen er leeg. De Lower Ninth werd een wijk die zweeft tussen leven en dood.

De armoede- en criminaliteitscijfers in de wijk zijn even slecht als ze aan de vooravond van Katrina waren. „We meten vooruitgang alleen maar aan hoe snel de rijken nog rijker worden”, riep Lolis Eric Elie, schrijver van de succesvolle tv-serie Treme, deze week uit op een Katrina-congres in New Orleans.

Met de achterblijvers gaat het slecht. Maar, opmerkelijk genoeg, met de zwarte inwoners die gevlucht zijn, gaat het relatief veel beter. Neem Mark Walters, een dertiger vol zelfspot, in pak en met vlinderdas. Hij verliet de Lower Ninth Ward tien jaar geleden. Hij was een lastige jongen. Of eigenlijk, verbetert hij zichzelf: een zware crimineel. Hij zat meerdere malen in de gevangenis, omdat hij op straat dealde. „In mijn omgeving dealde iedereen.” Toen de dijken braken, reed Walters zo snel als hij kon naar Houston, Texas. Die stad nam de meeste ontheemde inwoners van New Orleans op. Het huis van zijn grootouders, waar hij woonde, dreef tientallen meters weg.

In Houston ging het Walters voor de wind. Hij ging studeren, en vond een goede baan bij een christelijke ngo. Maar hij voelde zich jarenlang zoals veel verjaagde inwoners zich voelen: verscheurd tussen nostalgie en woede. „Ik zou graag terugkeren, maar iedere gedachte aan New Orleans maakte me misselijk.”

Na zes jaar reed hij voor het eerst terug naar zijn stad. „Ik zat te janken achter het stuur. Ik reed de stad binnen vanaf het oosten en zag de mooie nieuwbouwprojecten. Daarna zag ik hoe mijn oude wijk er bij ligt: alsof er niets gebeurd is sinds Katrina. Ik bezwoer mezelf nooit meer naar de Lower Ninth terug te gaan. ”

Recidive

Katrina was niet alleen een Amerikaanse ramp zonder weerga. Wetenschappers zagen het ook als een sociaal experiment: wat gebeurt er met een stad als opeens 100.000 inwoners verdwijnen? Hoe doen de achterblijvers het vergeleken met de vertrekkers? Oxford-hoogleraar sociologie David Kirk onderzocht de levens van voormalige gevangenen in New Orleans. Hij wilde weten of de kans op recidive groter is als mensen weer in hun oude omgeving terechtkomen.

Kirk onderzocht 3.000 mensen, en publiceerde deze zomer zijn resultaten in het wetenschappelijke tijdschrift PNAS. Hij kwam erachter dat de ex-veroordeelden die in New Orleans bleven wonen, een recidivekans van 60 procent hadden. De groep die door Katrina de stad moest verlaten, deed het beter: de recidivekans in die groep was maar 45 procent. Katrina had vertrekkers uiteindelijk ook iets goeds gebracht, en dat verklaart wellicht de lage animo om terug te keren.

Het huis van Henry Irvin liep al eerder onder. Ook tijdens een grote storm in 1965, toen hij pas getrouwd was, moesten hij en zijn vrouw op het dak in een bootje stappen. „Het hoort erbij als je hier vandaan komt”, zegt hij. De meeste inwoners wonen in de Lower Ninth omdat hun ouders en grootouders er ook al woonden.

Veelzeggend voor de verwijdering tussen zwarte bevolking en het lokale bestuur is een complottheorie die populair is in de Lower Ninth Ward. De dijken zouden in 2005 (en in 1965) bewust zijn opgeblazen, om de betere wijken te sparen. Ook Henry Irvin gelooft in de theorie. Het gebeurde met dynamiet, zegt hij, en bij rondvraag blijkt dat veel inwoners het met hem eens zijn. Op 29 augustus, om kwart voor acht in de ochtend, waren harde knallen te horen. Duidelijk explosieven, zegt hij. Dat de gemeente de theorie fel ontkent – de knallen waren de dijken die braken – maakt Irvin niets uit. „Daarom geloof ik ook niet dat we veilig zijn met de nieuwe, hogere dijken. Als iemand weer dynamiet plaatst, is geen dijk hoog genoeg. Dan gaan we er allemaal alsnog aan.”