Hoogleraar zijn is ook echt een vrouwenbaan

Marita Mathijsen (1944) mocht niet, zoals haar broers, meteen in de grote stad gaan studeren. Ze moest eerst thuis blijven wonen, ‘om de maagdelijkheid te beschermen’.

Marita Mathijsen (71) werd hoogleraar op haar 54ste. Foto David van Dam

Tegenover studenten heb je als vrouwelijke hoogleraar zó’n goede voorbeeldfunctie, zegt Marita Mathijsen (71). „Toen mijn dochter klein was, nam ik haar geregeld mee de collegezaal in. Ze was een rustige baby. En het feit dat je op hoog niveau goed kunt functioneren met een kind, daar spraken studentes me op aan.” Het hoogleraarschap is óók echt een vrouwenbaan, toont Mathijsen graag. „Je moet wel dingen laten vallen...” Huishoudelijk werk, boodschappen. „Maar je hebt ook vrijheid: als je tot vier uur ’s nachts aan een artikel hebt gewerkt, kun je de volgende middag best naar een toneelvoorstelling van je kind.” Tevreden: „Ik heb veel vrouwelijke studenten afgeleverd die nu op hoge posten zitten.”

Het is zonnig; we zitten in Mathijsens Amsterdamse achtertuin. Ze vertelt dat ze vroeger het enige meisje was in het Limburgse dorp Belfeld dat van haar ouders naar het lyceum mocht. „Ik weet zeker dat ik niet slimmer was dan de meisjes die naar de mulo gingen – dat was toen al ‘doorleren’ voor meisjes.” Maar haar vier zussen en vier broers mochten allemaal de best mogelijke schoolopleiding volgen. Niet dat ze helemaal gelijk behandeld werden: „Mijn broers hoefden niet af te wassen. Ik vond dat vreselijk. En mijn broers mochten wél meteen in Amsterdam en Groningen gaan studeren, maar ik moest thuis blijven wonen. Om de maagdelijkheid te beschermen.” Ze lacht.

Dus volgde Mathijsen vanuit huis een lerarenopleiding, MO-A. „En toen ik goede cijfers haalde heb ik doorgedramd dat ik naar de universiteit mocht.” Naar Amsterdam. „Omdat het 1966 was. In Amsterdam was het feest! Hier kon je Harry Mulisch tegenkomen, de uitgeverijen zaten hier, de hippiebeweging, de provo’s. Alles wat ik interessant vond, speelde zich hier af.” En die maagdelijkheid? „In 1963 was de pil gekomen. Limburgse artsen mochten die niet voorschrijven, maar in Amsterdam was er makkelijk aan te komen.” Mathijsen, begin twintig, werd weliswaar in de gaten gehouden door een tante die om de hoek woonde. „Maar die ging om tien uur naar bed, dus wat daarna gebeurde, daar wist ze niets van.”

Mathijsen trouwde in 1970. Haar man, violist Hub Mathijsen (hij overleed in 1994), belemmerde haar absoluut niet in haar carrière: „Hij zat helemaal in die alternatieve scene. Onze dochter Alma kwam vrij laat, pas in 1984, en hij werkte meestal ’s avonds buitenshuis en ik overdag, dus we konden het oppassen verdelen.” Hij deed ook die afwas die zij zo haatte.

Mathijsen promoveerde in 1987, op haar 43ste, en werd hoogleraar in 1999, op haar 54ste. „Behoorlijk laat, ja. Ik had wel eerder gesolliciteerd, maar toen legde ik het af, terwijl ik het internationaal beter deed dan veel collega’s. Maar of dat discriminatie was? Moeilijk te zeggen. Er zijn landelijk maar vijf hoogleraarsposten voor moderne Nederlandse letterkunde. Als die bezet zijn, kan het even duren voordat er weer een vrijkomt. Aan de Universiteit van Amsterdam, altijd mijn favoriete plek, duurde dat ook lang.”

Dat Mathijsen die structurele hoogleraarspost kreeg, was deels te danken aan een voorkeursbehandeling, vertelt ze: ze was een jaar eerder al persoonlijk hoogleraar geworden dankzij een fonds om meer vrouwen op hogere posities in de wetenschap te krijgen. Ook haar bevordering tot universitair hoofddocent was verlopen via zo’n fonds. „Zulke fondsen zijn écht noodzakelijk”, zegt ze. „Juist omdat vrouwen terughoudender zijn, minder haantjesgedrag vertonen dan mannen. En ik denk dat geen van de toen benoemde vrouwelijke hoogleraren is tegengevallen.”

Mathijsen weet niet zeker of ze destijds zonder voorkeursbehandeling hoogleraar zou zijn geworden. „Als vrouw ondervind je van je mannelijke collega’s buitengewoon veel jaloezie, tot in de sollicitatiecommissies toe. En ik hád louter mannelijke collega’s.” Ze denkt ook dat die soms jaloers waren op de publiciteit die ze kreeg, zoals de column die ze jarenlang had in het wetenschapskatern van deze krant. „Mij is vaak verweten dat ik zo leuk schrijf. Dat werd dan gebruikt om mijn wetenschappelijke merites te ondergraven.” Dat ‘leuke’ schrijven ziet ze als een vrouwelijke kant van haar wetenschapsbeoefening: „Ik stop ook in wetenschappelijke stukken emotie en betrokkenheid. Dat kan in mijn vak.”

Aan het begin van hun carrière worden vrouwen nog wel geholpen door mannen, zegt Mathijsen. „Zeker als je er niet al te schonkig uitziet. Ik ben in het begin ook wel op streek geholpen door iets oudere mannen die het leuk vinden als een mooi meisje talentvol blijkt.” Maar die vaderrol stopt „zodra je zelf iets betekent”, zegt Mathijsen. „Zodra je gelijkwaardig bent moet je beter presteren dan mannen om hetzelfde te bereiken. Een man hoeft alleen maar goed te zijn, een vrouw excellent.”

En nog, zegt ze: „Ik ben nooit hoogleraar 1 geworden, de hoogste klasse, terwijl ik wel in het faculteitsbestuur zat en een hele afdeling leidde. Mannen in een vergelijkbare positie kregen wél een hoge schaal. De financieel directeur die dat besliste, was ook een man, trouwens.” Mannen vragen misschien makkelijker om geld. „Ik dacht dan: de faculteit staat er slecht voor, laat maar zitten.” En bij vrouwen wordt assertief gedrag niet gewaardeerd. „Een vrouw wordt snel een haaibaai gevonden als ze zelfverzekerd is. Ik ben zelf weleens ‘straatmeid’ genoemd door een collega-hoogleraar, omdat ik opkwam voor mijn groep. Eerlijk gezegd beschouw ik dat als compliment.”

Mathijsen mist sinds haar emeritaat, in 2009, vooral het college geven aan jonge studenten. Maar zestig uur werken haalt ze nog. Onder meer aan een biografie van de 19de-eeuwse schrijver Jacob van Lennep, waarover ze ook blogt. „Dat je op je 65ste moet stoppen is sowieso bespottelijk.”