Het plezier van de omweg

Aan de Engelse oostkust komt zeiler Hans Steketee geen aanlegsteigers met stopcontacten tegen. Dus ankert hij op stromend water en roeit naar de pub.

Foto Hollandse Hoogte

Nergens steekt een kerktoren boven de kustlijn uit. Toch hoor ik een klok. Dan herinner ik me de kleine lettertjes op de zeekaart, naast de boei waar we naartoe varen: ‘Bell’. Daar ligt hij, plotseling dichtbij, deinend aan zijn ankerketting. Achter rood-witte spijlen zie je de bronzen bel schommelen. Ding, ding.

De boei markeert de aanlooproute naar de River Ore, in Suffolk aan de Engelse oostkust. Het idee is simpel: van de belboei via twee andere tonnetjes richting de kust, en dan naar rechts de rivier opdraaien.

Maar de nautische gids zegt dat de Ore een gevaarlijke rivier is. Plaatselijke kennis aanbevolen. De ingang ligt tussen een wirwar van grindbanken, net onder of net boven water, die zich voortdurend verplaatsen. Bovendien ligt er voor de ingang een drempel van grind, waar je met een kieljachtje alleen vlak voor hoog water overheen kunt. Bij harde, aanlandige wind staan daar vaak zulke brekers dat je je afvraagt of er wel een ingang is.

Er is hier geen havenmeester, zoals bij een rivier verderop, die je per marifoon om raad kunt vragen. En op het meest actuele detailkaartje van de Ore-ingang staat weinig vertrouwenwekkend: „Not to be used for navigation”.

Maar het waait niet hard, en het is bijna hoogwater, dus we wagen het erop. Met een steen in de maag, dat wel. De vloed duwt ons naar binnen. Langs de grindbulten, waarop golven stuk lopen, vlak naast de boot. Ontelbare steentjes worden even opgetild en gaan sissend weer liggen. Onder de lage wal, bij het oude baken, maken we de draai. Een fractie te laat. Even loopt de dieptemeter terug naar 1,60 meter. Precies onze diepgang. Maar er gebeurt niets. Dan zijn we binnen. Er zijn geen golven meer. Op een loodgrijze plaat water schuiven we het land in, tussen lage oevers en het gekrijs van duizenden vogels.

De Ore is ook een rare rivier. De monding lag vroeger veel noordelijker. Maar de Ness, de grindtong die de monding beschutte, is sindsdien langs de kust naar beneden gegroeid. Daarachter loopt de rivier nu mijlenver door een lege vlakte, parallel aan de kustlijn, alleen van de zee gescheiden door de Ness, die op sommige plekken nog geen honderd meter breed is. Daarachter hoor je de branding. Na een tijdje vorkt de rivier rond een eiland. Daar laten we het anker vallen en hijsen een olielamp voor de nacht.

Waarom zeilden we de Noordzee over om de getijderivieren van de Engelse oostkust te verkennen: de Ore, Alde, Deben, Orwell, Colne, Blackwater, Crouch en de Roach?

„Ankeren op stromend water en dan naar de pub roeien, dat kan in Nederland nergens”, zei ik soms, half voor de grap. Ik had moeten zeggen: dat kan in Nederland nergens meer.

Strakgetrokken land

Het land van kreken, zeearmen met schorren en slikbanken die twee keer per dag uit het water tevoorschijn komen, het brakke doolhof van de Biesbos, de Braakman in Zeeuws-Vlaanderen, de stroomversnellingen van het Hellegat, veerhaventjes en een herberg op de wal die De Schoone Waardin heet – dat land is strakgetrokken en grotendeels uitgewist. Door de Deltawerken en de vooruitgang in het algemeen. Nederland is, zoals een vriend zei, volkomen geoptimaliseerd.

Maar aan de Engelse oostkust krijg je nog een idee hoe het ooit geweest moet zijn. De zon komt er op boven zee en gaat onder boven land. Een paar weken lang had ik het gevoel door een soort spiegelbeeld te varen.

220 volt

We zijn de Deben opgezeild en varen nu weer terug, tussen heuvels en bos. Achter ons rijst een bui op als een gebergte, zwarte rafels aan de onderkant. We hebben het grootzeil gestreken en varen op de fok. Halverwege, bij het dorpje Waldringfield, ligt een rij jachtjes aan meerboeien in de stroom. Ze hebben allemaal een boeggolfje. Een zeilschoolklas zigzagt er tussendoor en vlucht aan land. Als we een vrije boei oppikken, een gele bal met een touw dat je over de boeg binnenhaalt en vastzet, raast de regen over ons heen.

Aanleggen betekent in Nederland: in een ‘box’ in een jachthaven, met een 220 volt-stopcontact op de steiger waar de meeste bootjesmensen het liefst zouden inpluggen nog voor ze hun meerlijnen hebben vastgemaakt. Ankeren op zout water? Droogvallen op een zandplaat? Het kan (en mag) nog maar op een handvol plekken. Aan de Engelse oostkust kun je bijna niet anders.

De volgende ochtend roeien we in de zon met de rubberboot naar de kant. Bij The Maybush zijn de eerste dagjesmensen neergestreken voor een pint. Langs de kade zijn mannen in fluorescerende vesten een muurtje aan het metselen. Er is ruimte opengelaten om op de steiger bij de rondvaartboot te komen. „Daar komt nog een deur in”, zegt een van de mannen. „Voor als het echt hoog water wordt.”

‘1953’ zijn ze ook aan de Engelse kant van de Noordzee niet vergeten. Dijken liepen over, Harwich en andere havenstadjes stonden onder water. Meer dan driehonderd mensen verdronken. Om de paar jaar dreigt dit stuk Engeland opnieuw onder te lopen.

Bij het metselwerk rond de pub drong het tot me door: zo dacht Zeeland een eeuw geleden. Voor nieuwe dijken was geen geld of animo. Een cementen muurtje op de kruin was een goedkoop alternatief. Hier en daar langs de Oosterschelde staan die ‘muraltmuurtjes’ nog steeds, verbrokkeld en bemost.

Het Deltaplan bracht alsnog de grondige aanpak: zeearmen werden afgesloten, dijken verbreed en verhoogd. Het heeft Zeeland radicaal veranderd. Op veel plaatsen verdween het getij, zout water werd zoet. En de veerboot verdween. De dammen, bruggen en de wegen die eroverheen liepen, legden Zeeland open.

Wij houden niet meer van omwegen, heeft de schrijver Tim Robinson gezegd over Ierland, waar de ontoegankelijke westkust in rap tempo door technologie (en Europese subsidies) wordt ontsloten. In Connemara hoorde je alleen de wind. Nu windmolens en auto’s. „Dit is de tijd van de shortcut.”

Zandbank

Voor een zeiler geen shortcuts aan de Engelse oostkust. Je kunt niet gaan waar en wanneer je wilt. Het tij bepaalt of je een zandbank kunt passeren. Een dagetappe is: met de eb de rivier af en met de vloed de volgende rivier op. En het liefst zo plannen dat je tussendoor zo min mogelijk stroom tegen hebt. Je kunt natuurlijk de motor aanzetten. Maar met een paar knopen tegenstroom schiet dat niet op. Het vaart ook niet lekker. En vooral: het voelt als bedrog.

Het dwingt tot geduld oefenen. Maar dat gaat vanzelf: langzamer leven, het gevoel dat de tijd uitrekt. Het gevoel ook dat je niet alleen ergens bent, maar het landschap ondergaat. Over water met de kleur van jade, nauwelijks sneller dan de stroom, tussen verschuivende zichtlijnen. Panorama’s die zich sluiten en openvouwen, een boei die zacht murmelend voorbij schuift. Het rode zeil van een platbodem in een luchtspiegeling aan de horizon. De gps zegt precies waar we zijn. Maar hij weet niets.

We leggen de boodschappen in de rubberboot: zeetongen van de lokale visser en diepvrieserwten van de lokale supermarkt. Vanavond eten we fish & chips, niet in de pub maar aan boord. We hebben even geen buitenboordmotor – die wordt gerepareerd – en moeten terugroeien naar onze boot die op de rivier voor anker ligt. Maar het tij staat tegen en het is hard gaan waaien. Ik doe een paar slagen en weet meteen: dit gaat niet lukken.

„Jij hebt een sleepje nodig”, grijnst de havenmeester voor ik iets kan zeggen. Hij kwam hier werken als jongen, toen de pub nog een overslagstation voor bieten was. Nu is hij 85. Hij doet een gescheurde oliejas aan en een zwemvest waarvan alleen de onderste knoop sluit. Dan zwaait hij zijn blote benen aan boord van zijn sloepje en geeft een lijntje over.