Het pestseizoen is weer begonnen

Scholen zijn sinds deze maand verplicht om iets tegen pesten te ondernemen – om het in elk geval in de gaten te houden. Maar er zijn nog geen anti-pestprogramma’s die door de overheid zijn goedgekeurd.

Foto’s © Merilee Allred

Het is zover. De scholen zijn weer begonnen. En daarmee voor sommige kinderen het jachtseizoen. Gemiddeld worden in elke basisschoolklas circa twee à drie kinderen gepest. Die worden regelmatig buitengesloten, uitgescholden, aangevallen, vernederd; hun spullen worden afgepakt of kapotgemaakt en ze kunnen er niets tegen doen, want de pester is machtiger.

De precieze cijfers verschillen per onderzoek, maar gemiddeld heeft elke klas dus enkele kinderen die extra risico lopen om angstig, eenzaam en somber te worden, om hun zelfvertrouwen en hun schoolcijfers te zien kelderen en om lichamelijke klachten te krijgen zoals buikpijn en bedplassen. Ook is de kans groter dan bij kinderen die niet gepest zijn dat ze later, als volwassene, in een depressie belanden.

Het goede nieuws is dat scholen tegenwoordig actie moeten ondernemen tegen pesten. Sinds 1 augustus dit jaar zijn alle scholen voor basisonderwijs, voortgezet onderwijs en speciaal onderwijs in Nederland bij wet verplicht voor de „sociale, psychische en fysieke veiligheid” van hun leerlingen te zorgen. Scholen moeten beleid tegen pesten hebben, het pesten op hun school in kaart brengen, en voor beleid en monitoring moet één persoon op school verantwoordelijk zijn, die ook aanspreekpunt is.

Daarnaast is vorig jaar, in opdracht van de overheid, de Richtlijn Pesten van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid uitgebracht. Minne Fekkes van TNO Child Health en zijn collega’s ontwikkelden die in drie jaar, op basis van wetenschappelijke literatuur en praktijktests. Jeugdartsen en -verpleegkundigen moeten kinderen van boven de vier nu altijd vragen of die lekker in hun vel zitten en of ze weleens gepest worden – bij elk ‘contactmoment’. „Wat je vroeger het bezoek aan de schoolarts noemde”, zegt Fekkes. „Daar werd je dan vooral gemeten en gewogen, nu ligt de nadruk meer op psychosociale aspecten.”

Wordt er nu dan meer gepest dan vroeger? Dat weten we niet, zegt Fekkes. Misschien, speculeert hij, wordt fysiek pesten, zoals iemand in elkaar slaan, minder getolereerd. „Al ken ik daar geen onderzoek naar.” Aan de andere kant is cyberpesten erbij gekomen: kinderen die elkaar belachelijk maken op sociale media of in whatsapp-groepjes. „Maar iemand is zelden slachtoffer van cyberpesten terwijl hij in de gewone groep niet gepest wordt”, zegt Fekkes.

Terug naar de richtlijn: wordt een kind gepest, dan kan het doorverwezen worden naar bijvoorbeeld een weerbaarheidstraining. Of er wordt, als op school veel gepest wordt, overlegd over een antipestprogramma op school. Er zijn er tientallen, van individuele cursussen tot klassikale en schoolbrede interventies. Sommige willen pesten voorkomen, andere genezen, weer andere beide. De richtlijn bespreekt er slechts een handvol. Want van veruit de meeste antipestprogramma’s is (nog) niet aangetoond dat ze werken.

Nog een lacune: voor het basisonderwijs wel, maar voor het voortgezet en het speciaal onderwijs bestaan geen schoolbrede programma’s. „De structuur van de basisschool maakt het makkelijker die programma’s in te passen”, zegt Fekkes. Op de basisschool wordt wel meer gepest, zegt René Veenstra, als hoogleraar sociologie in Groningen gespecialiseerd in pesten. „Maar áls er in het voortgezet onderwijs gepest wordt is dat extra erg, als verder bijna iedereen het fijn heeft. Dan kan een kind makkelijk denken: het ligt aan mij.” Veenstra wijst op een Amerikaanse meta-analyse (Journal of Applied Developmental Psychology, maart 2015) waaruit kwam dat na de basisschool anti-pestprogramma’s geen effect meer hebben.

En voor het voortgezet speciaal onderwijs is er nog minder, zegt Bram Orobio de Castro, hoogleraar ontwikkelingspsychologie in Utrecht. Hij beoordeelt antipestprogramma’s voor de overheid (zie inzet). „Interventies zijn meestal gericht op kinderen die over dit soort dingen kunnen nadenken en praten. Maar als kinderen niet zo verbaal zijn... Je zou misschien een groep mensen met verstand van die doelgroep een speciaal programma moeten laten ontwikkelen. Dat klinkt misschien stom, want er zijn al zoveel programma’s, maar juist voor deze doelgroep lijkt een andere aanpak nodig.”

De drie onderzoekers geloven niet dat het mogelijk is om alle kinderen een pestvrije school te garanderen. „Je kunt dat heel moeilijk van bovenaf invoeren”, zegt Orobio de Castro. „Zo van: hier komen de mariniers en binnen één jaar is je school pestvrij. Dat is wat iedereen wil.” Maar zóveel hangt ook af van de groep leerlingen, de leerkrachten, de schooldirecteur, zegt hij. Scholen waar antipestprogramma’s effectief bleken, waren bijvoorbeeld allemaal heel gemotiveerd. „Niet-gemotiveerde scholen voeren het misschien minder goed uit en zodra je het gaat verdunnen, worden de effecten minder.” Daarom gelooft hij ook niet dat het verplicht stellen van antipestprogramma’s genoeg is. „In een goed huwelijk wordt veel gepraat”, zegt hij. „Maar het helpt niet genoeg om praten in een slecht huwelijk verplicht te stellen.” Je moet ook in staat zijn te zorgen dat het goed komt.