Een echte leider is chronisch ontevreden

foto Lars van den Brink

Zet de oud-topman van een olie- en gasbedrijf en de politiek leider van een milieupartij bij elkaar en waar praten ze het liefst over? De opwarming van de aarde natuurlijk.

„Het is niet reëel”, zegt Jeroen van der Veer, „dat je de temperatuurstijging tot twee graden kunt beperken met de maatregelen die we de komende vijftien jaar nemen”.

„We zijn het toch eens over dat doel?” zegt Jesse Klaver. „Dan moet je bereid zijn om de consequenties te nemen.”

Van der Veer: „Dan moet je dus accepteren dat de hele middenklasse in Azië niet vooruitgaat. En je moet de bouw van kolencentrales stilleggen. Als jij zegt: ik kan de wereld ervan overtuigen, dan moet je dat doen. Ik ben ook voor de overgang naar duurzame energie, maar dit is niet reëel.”

Klaver: „Als bedrijven als Shell blijven zeggen: het gaat niet gebeuren, dan is het inderdaad niet reëel. Maar stel je voor dat we het gewoon dóén?”

Van der Veer: „Als ik zie dat het niet reëel is, is het mijn plicht om te zeggen: het gaat helaas niet gebeuren. Zo zit ik in elkaar.”

Klaver: „Maar wíl je het?”

De zakenman die kijkt naar wat hij kan, de politicus die kijkt naar wat hij wil. En allebei hopen ze dat de ander gaat kijken zoals hijzelf. Ze zitten op het terras van landgoed Het Roode Koper in Ermelo. Het is borreltijd, ze drinken Spa rood. Klaver is een minuut na het afgesproken tijdstip op het terras verschenen – in hardloopkleren. „Ik ga eerst nog even vijf kilometer rennen.”

Van der Veer is later gekomen, hij was nog aan het werk. Na zijn vertrek bij Shell werd hij voorzitter van de raad van commissarissen van Philips en ING en commissaris bij Boskalis. Hij legt een A4’tje met handgeschreven aantekeningen voor zich op tafel. „Zo denk ik na. Als we dit afhebben, kunnen we naar bed.”

Jesse Klaver, sinds dit voorjaar fractievoorzitter van GroenLinks, heeft zich ook voorbereid. Hij heeft interviews met Van der Veer gelezen en energiescenario’s van Shell bestudeerd uit de tijd dat Van der Veer daar topman was. Hij zegt: „Ik heb zitten kijken: wie is de beste man? Volgens mij ben je heel intelligent en…”

Van der Veer, met een grijns: „Misschien valt dat tegen.”

Klaver: „Volgens mij ben je een intelligente vent. Maar je bent wel heel anders bezig dan ik.”

Van der Veer: „Bij Shell heb ik veel met politici te maken gehad. Sommige mensen denken: als je een bedrijf kunt leiden, kun je ook minister worden. En er zijn politici die denken dat ze een bedrijf kunnen leiden, maar daar ben ik niet zo zeker van. Een politicus wil de samenleving beter maken. Hij luistert wel, maar gebruikt alles wat hij hoort om te kijken welke kant hij de samenleving op wil sturen. Een CEO vraagt zich juist af: waar gaat de samenleving naartoe? Als het zo en zo gaat, moet ik mijn producten en diensten zo en zo positioneren om succesvol te zijn.”

Klaver: „Jouw beschrijving van de politiek is uit de theorieboeken. Mijn probleem met de politiek is juist dat het veel te weinig gaat over waar we heen willen. Ik zie vooral politici die bezig zijn met het verwerven van marktaandeel. Politiek zou veel meer over utopieën moeten gaan. Maar ook in het bedrijfsleven is je handelen niet neutraal. Als bedrijf heb je de verantwoordelijkheid om te bedenken hoe je wilt dat wereld eruitziet.”

Van der Veer, alsof die opmerking niet persoonlijk voor hem bedoeld is: „De politicus zegt tegen de kiezers: als je mij volgt, krijgen we een betere samenleving. De leider van een bedrijf zegt tegen zijn mensen: als je mij niet volgt, gaan we als bedrijf langzaam dood.”

Klaver: „Had jij minister willen worden?”

Van der Veer: „Ze hebben me nooit gevraagd.”

Klaver: „Maar had je het gewild?”

Van der Veer is lang stil. „Weet ik niet, Jesse. Ik weet niet of ik het geduld zou hebben om steeds naar de Tweede Kamer geroepen te worden. Ik zou waarschijnlijk zeggen: dames en heren, vandaag wil ik werken.”

Welke partij had hem kunnen vragen? Van der Veer praat er elegant omheen. Hij is „een middenfiguur”, heeft in zijn leven op verschillende partijen gestemd. „Ik kan het eens zijn met de VVD of met de PvdA. Ook met GroenLinks trouwens.”

Later op de avond zal hij zeggen: „De meeste mensen delen mij in bij de VVD. En dat klopt.”

Doodsbang in de bochten

Klaver en Van der Veer gaan op de foto in het bos. Het is een eindje van het landgoed, dus rijden we erheen met de fotograaf. Op de achterbank zegt Van der Veer dat hij graag naar zijn werk fietst. „Dan kan ik goed nadenken.” Klaver vertelt dat hij vroeger wielerkoersen reed, bij de nieuwelingen en de junioren. Hij won nooit. „Ik kan hard fietsen, maar alleen rechtuit. Ik ben doodsbang in de bochten.”

Op een open plek in het bos laten Klaver en Van der Veer zich fotograferen. Achter een struik, op een trapje. Netjes volgen ze de aanwijzingen van de fotograaf. Na twintig minuten is het geduld bij Van der Veer opeens op. „Ik stel voor dat we klaar zijn”, zegt hij vriendelijk tegen de fotograaf.

Bij het diner in de serre krijgt Van der Veer de wijnkaart. Hij staat bekend als wijnliefhebber: in zijn eerste jaren bij Shell had hij naast zijn werk een handeltje in Bordeaux- en Rhônewijnen. Maar een hele fles? „Zullen we gewoon een glas huiswijn bestellen, Jesse? Dat vind ik altijd goed genoeg.”

De twee mannen wachten niet op vragen, ze hebben hun eigen thema: het klimaat, de twee graden Celsius. Vooral Van der Veer praat. Je ziet dat hij eraan gewend is dat er naar hem geluisterd wordt. En dat doet Klaver in het begin vooral: luisteren.

Van der Veer groeide op in Utrecht. Zijn vader was daar rector van het Stedelijk Gymnasium. Een strenge leider. „Dat was heel gewoon in die tijd. Thuis was het anders. Mijn moeder had ook een sterk karakter, was ondernemend en creatief. Een werkende vrouw, wat in die tijd weer níét normaal was. Ze werkte bij een kleine uitgeverij en kon ontzettend snel vertalen uit het Engels, Frans en Duits. Mijn ouders waren echte alfa’s. We lazen thuis NRC en De Groene Amsterdammer en we waren lid van de VPRO.”

Vader en moeder Van der Veer hielden niet van twijfelen. „Het was bij ons: tempo maken. Dat zit in de genen. En het was ook: niet zeuren. Er zijn niet veel mensen die dit weten: ik ben woordblind. Maar van mijn ouders moest ik gewoon harder mijn best doen op school.”

Was die dyslexie de reden dat Van der Veer voor een technische studie koos – in Delft?

„Ik denk het wel, ja. Mijn ouders vonden het maar raar. Mijn vader vond het wel leuk dat ik in het buitenland ging werken. Maar of hij de olie-industrie zo interessant vond? Op Curaçao heb ik hem weleens meegenomen naar de raffinaderij. Daar had ik twee uur voor uitgetrokken, maar na twintig minuten zei hij: ‘Ik heb het wel gezien.’ Hij wilde naar de Joodse begraafplaats. Daar had hij over gelezen, hij wilde de jaartallen controleren omdat de Joodse jaartelling anders is.”

Klaver: „Zoals jouw vader in die raffinaderij, zo was jij net bij de fotograaf.”

Van der Veer: „Ik vind iets al snel zonde van mijn tijd. Maar dat probeer ik altijd vriendelijk te zeggen. Ik heb in Houston gewerkt. Om kwart voor zes gaan Amerikanen eten en dan ben je om negen uur uit het restaurant. Ik ontdekte: als je om half acht komt, ben je ook om negen uur klaar. Dan kon ik anderhalf uur langer werken.”

Bij zijn aantreden als GroenLinks-leider hield Jesse Klaver een felle speech tegen het ‘economisme’: de neiging om elk maatschappelijk of politiek probleem terug te brengen tot een rekensom. Hoe meet je of mensen zich gelukkig voelen? Hoe meet je het belang van een avondje met je vrienden bij een kampvuur?

Van der Veer heeft Klavers speech gelezen. „Je hebt daar wel een punt.” Maar zelf een avond niks doen? „Ik kan met goede vriendjes wel een avond bomen. Maar de kans dat ik tot het eind blijf, is nul. Probeer met mij op vakantie maar eens op een terrasje te zitten en koffie te drinken. Na vijf minuten zeg ik: wat gaan we doen?”

Klaver: „Ik kon dat ook nooit zo goed, niets doen. Ik heb het van mijn vrouw moeten leren. Op het strand liggen, lezen. Of wat ik nu doe met mijn zoontje: kuilen graven.”

Van der Veer: „Kuilen graven! Dat zou ik ook doen op het strand.”

Klaver: „Ik heb zelf altijd het gevoel gehad dat ik harder moest werken om ergens te komen. Gewoon omdat ik het niveau niet aan zou kunnen. Dat ik niet slim genoeg was. Althans, dat werd soms over mij gezegd. Ik kreeg een vmbo-advies. Toen zei mijn moeder: dan moet je hard werken om te laten zien dat je meer kunt. Het is grappig, Jeroen, wat jij zegt over dyslexie. Ik ben er nooit op getest, maar ik spel echt als een egel.”

Van der Veer: „Nou, misschien…”

Klaver: „Maar het is nooit een probleem geweest, want de oplossing was altijd: beter je best doen. Ik schrijf gewoon slecht en als ik een tekst secuur moet lezen, sla ik weleens een woord over.”

Van der Veer: „Als je snel kunt lezen, denk ik niet dat je het hebt hoor.”

Ik bid elke dag

Klaver groeide op in Roosendaal. Zijn Marokkaanse vader vertrok vlak nadat hij geboren was – hij heeft hem nooit gekend. Klavers moeder werkte meer dan fulltime, hij woonde bij zijn grootouders. „Mijn moeder haalde het beste uit zichzelf door knetterhard te werken, mijn opa werd op latere leeftijd opbouwwerker, van mijn oma bewonder ik haar enorme goedheid en zorg.”

Klaver vertelt over zijn moeder die aan de pastoor ging vragen of hij haar baby wilde dopen. „Nee, zei die man, want er was geen vader in de buurt.”

Van der Veer: „Ongelofelijk.”

Klaver: „Maar er was een andere pastoor en die wilde wel. Hij zei: ‘Het maakt mij geen bal uit, ik doop jouw zoon.’ En hij heeft mij twee jaar geleden getrouwd. Dat vond ik geweldig. Als je bekend bent, wil iedereen je vriend zijn. Maar die man zag me al staan toen ik nog niks was.”

Klaver is nog steeds gelovig, al aarzelt hij of hij zichzelf katholiek zou noemen. „Ik bid elke dag. Niet op vaste momenten. Als ik onderweg ben naar huis of voor het slapen gaan. Ik probeer niet te veel te vragen, ik zeg wel veel dank. En ik bid als we geland zijn, want ik ben als de dood voor vliegtuigen.”

„Hoe reflecteer jij?” wil Van der Veer van Klaver weten. „Ga je er weleens voor zitten?”

Klaver: „Met Kerst gaat de toko drie weken dicht en in de zomer vier weken. Dan lees ik geen kranten, ik check geen e-mail. Dan komen de inzichten vanzelf. Ik lees ook bijna geen e-mails als ik werk. Dat leidt me af.”

Van der Veer: „Op vakantie sta ik altijd als eerste op en werk ik al mijn e-mails weg. Dat is erin gesleten. Ik ontspan door hardlopen, als ik op reis ben. En ik reflecteer op zondag.”

Klaver: „Ik doe dat niet speciaal op zondag. Als ik reflecteer, denk ik: het gaat eigenlijk best goed. Maar verder heb ik zelden het gevoel van succes. Ik zie aan de lopende band dingen die niet goed gaan en daarvan maak ik lijstjes: wat is urgent, wat niet?”

Van der Veer: „Als je snel tevreden bent, word je geen grote leider. Het moet niet een soort ziektebeeld worden, maar die natuurlijke ontevredenheid – het kan nóg beter – zit in alle leiders.”

Van der Veer ziet „natuurlijk leiderschap” bij Klaver. „Je bent jezelf. En als ik zie hoeveel dossiers jij al hebt gedaan op je negenentwintigste. Maar jullie politici krijgen veel over je heen. Dat maakt het vast zwaar.”

Klaver: „Ik heb daar niet zo’n last van. Wat ik wel echt verschrikkelijk vind, is dat ik mijn gezin zo weinig zie.”

Van der Veer knikt. „Met een jong gezin lijkt me dat heel moeilijk.”

Zijn drie dochters waren al volwassen toen hij bestuursvoorzitter werd bij Shell. „Het is ontstellend hoe hard je dan werkt. Je hebt geen privéleven, de jetlags komen er nog bij. Je zit op dinsdag op kantoor, op woensdag ben je in China, de dag erna weer op kantoor, in het weekend in het Midden-Oosten. Vóór mij waren er mensen die er om die reden mee ophielden en mijn opvolger [de Zwitser Peter Voser, red.] zei: ‘Ik houd dit niet vol’.”

Jesse Klaver heeft een vraag over een van de leiders die Van der Veer van nabij meemaakte: Vladimir Poetin. Als topman van Shell onderhandelde hij langdurig met de Russische president over een gasveld in Siberië. „Wat is jouw indruk van hem?”

Van der Veer begint met een uitleg over het wereldbeeld van Poetin. De president, zegt hij, wil de grootsheid van Rusland herstellen. „Zijn redenering is: de tsaren hebben het Russische volk uitgezogen, de communisten zijn zichzelf gaan verrijken, Gorbatsjov wist niet wat hij wilde en Jeltsin heeft het land weggegeven aan zijn vriendjes, de oligarchen. Hij wil Rusland teruggeven aan het volk. En hij voelt zich vernederd door het Westen in de jaren negentig. De snelle uitbreiding van de NAVO naar het oosten heeft hem enorm gestoken.”

Klaver: „Dat vind ik altijd een enge emotie, vernedering.”

Twee jaar geleden was Poetin op bezoek in Nederland. In Amsterdam werd luid en zichtbaar geprotesteerd tegen de Russische antihomowet. Van der Veer zei later op televisie dat de demonstranten wel erg dicht bij de president waren gekomen. Wat was het probleem precies?

„Ik vind dat je dat niet kunt maken tegenover een staatshoofd van een ander land”, zegt Van der Veer. „Die demonstranten stonden op drie meter afstand en het was niet duidelijk of de politie ze onder controle had. Ik kan me voorstellen dat Poetin zich daar wild aan geërgerd heeft. Stel je voor dat ze bij onze koning in Moskou hetzelfde zouden doen.”

Klaver: „Ik denk dat bij ons dan de vlag zou uitgaan. Er gaat eindelijk iets goed in Rusland.”

Van der Veer: „Wij nodigen die man uit. En je moet bedenken dat hij een bepaalde culturele bagage meeneemt.”

Klaver: „Nou en? Hier mag gedemonstreerd worden.”

Van der Veer: „De beelden zijn eindeloos uitgezonden op de Russische televisie. Ik vond dat we er als land slecht op stonden.”

Rond half tien kijkt Van der Veer voor het eerst op zijn horloge.

Hij vertelt dat hij een overtuigd Europeaan is. „De enige weg voorwaarts is: Europa meer gestalte geven.”

Was hij niet graag eurocommissaris geworden? „Er waren mensen die er tegen mij over begonnen, maar het kabinet heeft me niet gevraagd.”

Klaver: „Had je het gewild?”

Van der Veer: „Ja, zeker.”

Klaver: „Dat is bijzonder. Als ik vraag: had je minister willen worden, aarzel je. Nu zeg je meteen ja.”

Van der Veer: „Ik heb veel met Brussel te maken gehad en ik wil niet onbescheiden zijn, maar ik denk soms wel: mijn handen jeuken.”

Van der Veer vertelt over zijn zorgen: dat in Europa en Nederland politieke beslissingen zo traag worden genomen. „Ik denk dat de Amerikanen de kredietcrisis veel effectiever hebben aangepakt. Heel autoritair.”

Een paar jaar geleden was Van der Veer op een internationale conferentie. Henry Kissinger was een van de voorzitters. „Hij en een Indiase minister raakten in een mutual admiration loop: ‘India is the greatest democracy in the world.’ Een Chinese minister klopte met zijn glas op tafel en zei: ‘In China hebben we vorig jaar 2.000 kilometer snelweg gebouwd, in India kwam er 20 kilometer bij. Weet u wat het verschil is, meneer Kissinger? In India hebben ze democratie, in China doen we wat de mensen willen.’”

Klaver lacht, Van der Veer praat verder. „Vergrijzing, robotisering, het gaat allemaal gewoon door. Democratie en snelle besluitvorming staan niet per se haaks op elkaar. Maar als je ziet hoe het soms gaat in Brussel en Den Haag: het is duwen en stropen.”

Klaver: „Ik vind dat lastig. Doen ze in China wat de mensen willen? In Nederland hebben we checks and balances en dat is maar goed ook.”

Van der Veer: „We hebben check, check, check, check en balance, balance, balance, balance. Het ergste voorbeeld vind ik altijd de verlenging van de A4 in Midden-Delfland. Dat heeft twintig jaar geduurd. Als je de boel wilt vertragen, zijn er eindeloos mogelijkheden voor.”

Klaver: „Maar het is toch geen feit dat die A4 er moet komen? Het is een politieke opvatting, en gelukkig hebben we daar debat over.”

Van der Veer: „Die A4 is nu het duurste stukje snelweg dat we ooit hebben aangelegd.”

Klaver: „Is dat niet de prijs van democratie?”

Van der Veer: „Dan vind ik die te hoog. Dan maar wat minder democratie.”

Klaver: „Hoe zie je dat voor je?”

Van der Veer: „Het proces moet eerder eindigen: Tweede Kamer, Eerste Kamer, een keertje Raad van State en that’s it.”

Klaver: „Dan ga je ervan uit dat alle democratische besluiten kloppen. Wij kunnen als Tweede Kamer ook fouten maken.”

Van der Veer: „Zo denk ik niet. Ik wil lekker het tempo erin houden.”

Nepkapitalisten

Het gesprek komt op een onvermijdelijk onderwerp: de topsalarissen. Als topman van Shell was Van der Veer een veelverdiener, als commissaris van Philips en ING beslist hij over de riante beloning van anderen. Van der Veer is op zijn hoede. Hij zegt dat hij „de kloof tussen politiek en zakenwereld schadelijk” vindt, hij kan zich goed voorstellen dat gewone werknemers „de logica” achter die duizelingwekkende beloningen niet begrijpen. „Maar we willen in Nederland ook hoofdkantoren van grote bedrijven.”

Klaver: „Ik hou van kapitalisten, maar ik heb een schijthekel aan nepkapitalisten. En dat zijn die bankiers. Als het goed gaat, vullen ze hun zakken. Als het misgaat ook, want dan moeten wij ze redden met belastinggeld. ABN Amro is een staatsbank die we voor veel te veel geld hebben gekocht. Hoe haal je het dan in je harses om er als bestuurder een ton bij te vragen en vervolgens te zeggen: maar in Londen verdienen ze meer.”

Van der Veer: „We spreken hier over een concurrent, dus ik hou liever mijn mond.”

Klaver: „O, ik wil het ook best over ING hebben. Jullie topman heeft…”

Van der Veer, afgemeten: „We hebben eerst alle staatssteun terugbetaald. Toen hebben we de cashbonus afgeschaft en dat hebben we netjes aan de aandeelhouders voorgelegd. Je zou ook kunnen zeggen, Jesse, dat dat een goed initiatief was.”

Klaver: „Maar dat wordt gecompenseerd met het vaste salaris. En bijna 4 ton erbij op jaarbasis is een enorm bedrag. Uiteindelijk is ING nog steeds too big to fail.”

Van der Veer: „Je moet niet vergeten: ING is voor tweederde buitenlands. We willen het hoofdkantoor in Nederland houden. Dus moeten we buitenlanders aantrekken en dan moet je een aardige vergoeding hebben. Als ik bij ING heel goede mensen zou kunnen vinden voor een half miljoen, zou ik het meteen doen.”

Klaver: „Zelf heb je ooit gezegd: ik ga niet de helft minder werken als ik de helft zoveel geld zou krijgen. Dat vond ik uitstekend en ik denk dat dat ook geldt voor de bancaire sector. Er zijn mensen te vinden, ook uit het buitenland, die voor veel minder geld zouden willen werken.”

Van der Veer: „Met ING zijn we behoorlijk ver gegaan en zitten we ver onder het Europese gemiddelde. Maar het blijft moeilijk dat over te brengen in de media.”

Klaver: „Niet alles is een communicatieprobleem, toch? Misschien is het in de kern gewoon onrechtvaardig.”

Van der Veer: „We hebben ook echt buitenlanders geprobeerd te rekruteren en het is niet gelukt.”

Klaver: „Als ING weg wil, dan gaan jullie maar naar Luxemburg of naar Londen. Veel plezier!”

Van der Veer: „Dan onderschat je het belang van een internationale Nederlandse bank voor het Nederlandse bedrijfsleven. Ahold zou niet meer bestaan als Nederlandse banken niet hadden opgetreden na de crisis over het boekhoudschandaal in 2003.”

Als de hoogste baas van Shell verdiende Van der Veer zo’n 5 miljoen euro per jaar. Zelf vond hij dat ook aan de hoge kant, zegt hij nu. „Ik heb me als CEO helemaal rot gewerkt, maar ik vond die baan zo’n enorme eer. Hoeveel ik precies kreeg, maakte me niets uit. Alsof ik de hele dag naar de factoren zat te kijken die je bonussen bepalen. Ik had geweldige moeite met dat model. Maar ik dacht ook: luister eens, dit is aan de commissarissen. Ik doe niets.”

Wat doe je met zo veel geld?

„Ik had niet eens tijd om het te tellen”, zegt Van der Veer. En: „Natuurlijk geef ik geld aan liefdadigheid, maar ik ga niet vertellen welke. Dat klinkt als het afkopen van je geweten.”

Hij woont in een huis in Wassenaar dat hij deels zelf heeft ontworpen. „Maar verder rij ik in een oude auto, ik heb geen zeiljacht, ik loop eindeloos in dezelfde kleren. Mijn dochters zeggen: ‘Pa, je kunt er toch behoorlijk bijlopen?’ Als ik een platte fietsband heb, plak ik hem zelf. Doe jij dat ook zelf, Jesse?”

Klaver: „Even afkloppen, maar ik heb nooit een platte band gehad.”

De Pijp

De volgende ochtend om tien voor acht staat Jeroen van der Veer bij de receptie van het hotel, in hardloopkleren. Om één minuut over acht komt Jesse Klaver aangelopen. Tevreden kijkt hij op zijn horloge: „Precies op tijd.” De afspraak om samen te joggen hadden ze gisteren al na vijf minuten gemaakt.

Bij het ontbijt zegt Van der Veer dat hij het jammer vindt: hij heeft gisteravond bij Klaver geen spoor van twijfel kunnen zaaien over de maatregelen tegen klimaatverandering. „Maar het ligt natuurlijk aan mij, dat het niet is gelukt.”

En andersom?

Klaver begint met een compliment: „Je hebt me een betere inkijk gegeven in het corporate denken, Jeroen.” En dan: „Je bent een van de machtigste mannen van Nederland. Als topman van Shell had je de loop van de geschiedenis kunnen veranderen. Je kunt dan niet volstaan met: ik kijk wat haalbaar is met het klimaat en daarmee ga ik aan de slag.”

En daar gaan ze weer over de opwarming van de aarde. Oliereserves, carbon bubble, energiemix, klimaatconferenties, Kopenhagen, Parijs.

Na drie kwartier wil Van der Veer weg, er moet gewerkt worden. We hebben nog één vraag voor hem: is hij lid van De Pijp?

„Ja.”

Klaver veert overeind. „Wat is dat?”

Van der Veer legt uit: De Pijp is een besloten gezelschap dat al bestaat sinds de Tweede Wereldoorlog. Alleen de top van het Nederlandse bedrijfsleven is er lid van: CEO’s, president-commissarissen, grote familiebedrijven. Twee of drie keer per jaar komen ze bij elkaar, bijna altijd in Kasteel de Wittenburg in Wassenaar. Ze borrelen, ze eten en praten over een thema. „Ik heb een keer samen met de topman van DSM een verhaal gehouden over klimaat en energie.”

Tot een paar jaar geleden was het zo: lid van De Pijp was je voor het leven. Samen met een paar anderen heeft Van der Veer daar een eind aan gemaakt. Als je stopt als bestuursvoorzitter of president-commissaris, moet je er nu na een jaar uit. „Als CEO’s en president-commissarissen zien we elkaar helemaal niet zo vaak. Je hebt gemeenschappelijke problemen en die wil je bespreken. Maar de oude CEO’s willen altijd naast je zitten om te horen hoe het gaat. En hún verhalen ken je al. Dus hebben we...”

Klaver: „...hun lidmaatschap afgepakt”.

Van der Veer: „We hebben beloofd: eens in de zoveel jaar organiseren we iets voor de oudjes. Dan kunnen ze met elkaar praten. Maar ik weet niet of dat al gebeurd is.”

Klaver: „De Pijp, dat lijkt me een ongelofelijk machtige club.”

Van der Veer: „Zal ik regelen dat jij een keer komt spreken?” <<