Alles is bij elkaar gelogen

Zanger en acteur Thomas Acda heeft een boek geschreven over de helft van een gewezen popduo; een te dikke lapzwans die vlucht in drank en drugs. Let op: de roman is niet autobiografisch.

Foto ROBIN UTRECHT

Wat je zomaar kunt vergeten als je Thomas Acda (48) voor het eerst ontmoet – blauw hemd, spijkerbroek, gympen – is dat hij natuurlijk hartstikke bekend is. Tot een jaar geleden vormde hij met Paul de Munnik het succesvolste popduo van Nederland ooit, daarnaast is hij acteur in films en tv-programma’s. Niet zo gek dus dat hij een tafel binnen kiest, terwijl iedereen bij Restaurant Amsterdam buiten zit vanwege het mooie weer. De tafel staat apart, in de loop naar de keuken. Hadden er mensen aan de buurtafels gezeten, dan hadden die ons niet kunnen horen. „Mijn vaste plek”, zegt hij als we plaats nemen. Hij eet hier weleens met z’n kinderen, een zoon van vijftien en een dochtertje van vijf. „Maar dan zit ik altijd waar jij nu zit.” Met de rug naar het publiek.

Wat hij hier graag eet, is caesar salad. Helaas, zegt de kelner. „Die is van de kaart gehaald.” Verbijsterde stilte. Zachtjes monkelt Acda dat dat natuurlijk volkomen logisch is, want „men vond die sla heel lekker” en „dat kunnen we uiteraard niet hebben”. Maar goed, herstelt hij zich, wat nu? Voor boudin noir (bloedworst) vindt hij het te vroeg. Burrato (buffelmozzarella) vindt hij een „natte hap niks”, en in salade niçoise (met tonijn) heeft hij geen zin. Wat ik vergat te vermelden, Thomas Acda is ook hobbykok. Om de week schrijft hij een kookrubriek voor dagblad Het Parool. Het wordt een simpele groene salade. Plus, „voor de proteïnen” een bordje garnaaltjes.

Een uurtje, dan is het voorbij

Het duurt even voor hij stopt met plichtmatig antwoord geven en begint met praten. Het is, zegt hij, enorm wennen. Als artiest en acteur heeft hij „miljoenen” interviews gegeven. Maar dit is de eerste keer dat hij als schrijver optreedt. „Schrijver van een boek dan, hè, niet van een theaterprogramma of een liedje.” Hij strijkt denkbeeldige kruimels van tafel en kijkt op zijn Apple Watch aan zijn linkerpols. „Een uurtje, dan is het weer voorbij.”

Onderweg met Roadie heet zijn roman, die deze week verschijnt. Hoofdpersoon is de helft van een succesvol popduo dat er, op verzoek van de ander, na twintig jaar mee stopt. Hij vertrekt, met een hondje, naar Amerika om, in de woorden van Acda, „zo ver weg mogelijk van zichzelf te vluchten, opdat hij zichzelf weer wordt”. Het is het soort boek, zeg ik, waarvan ik tijdens het lezen heel erg hoopte dat het niet autobiografisch is. Want dat zou betekenen dat Thomas Acda een enorme... bozige man is. Aan de kant gezet. In de steek gelaten. Eenzaam. Worstelend met zijn gewicht en geweten. Wat nog meer? Drankzuchtig en onmogelijk door een jarenlange sterrenstatus. „Natuurlijk kun je het lezen alsof het over mij en Paul [de Munnik] gaat.” Maar dat is niet zo? „Nee joh. Alles is bij elkaar gelogen.” Dus hij is niet, net als de hoofdpersoon, in een zwart gat gevallen na de breuk? „Vorig jaar, na twintig jaar toeren en optreden zei Paul: ik geloof niet dat ik nog een nieuw programma wil maken. Dat mag. Dus kapten we ermee.” Voor hem, Thomas Acda, was het ergens ook wel goed. „Al die jaren kwam er steeds werk bij, er viel niks af. Inmiddels had ik drie agenten die in mijn agenda zaten te turen of ik ergens juli volgend jaar nog een leeg vakje had.”

Die coke was dus ook niet echt

Dus dat coke snuiven, dat is ook niet echt zo gegaan? Hij schudt zijn hoofd, resoluut. „Mensen die me kennen, vinden het vast heel geestig dat uitgerekend ik daarover schrijf. Ik heb bij kenners moeten navragen wat je precies voelt als je snuift. Ik moet zeggen dat ze me daar bijzonder weinig details over konden verstrekken. Maar ik kan me zo voorstellen dat het pijn doet.” En al die lelijke dingen over de ex-vrouw die in het boek staan? „Dat gaat niet over mijn ex, nee. Voor het verhaal was het goed om de fictieve ex-vrouw zijn creditcards te laten blokkeren. In werkelijkheid is me dat nooit overkomen.” En, probeer ik nog, hij is wél op gewicht? „98”, zegt hij. Kilo. Heel wat minder dan de 125 die zijn hoofdpersoon weegt. „Hij haat zichzelf. Schaamt zich voor zijn flobberigheid en vadsigheid.” Hij klopt zachtjes op zijn buik. Binnenkort gaat hij weer trainen voor de marathon van New York. „Vet wordt spier. Dan word ik juist zwaarder.”

Hij had er wel rekening mee gehouden, zegt hij, dat lezers op zoek zouden gaan naar wat waar is en wat niet. „Maar toch is het gek. Van een liedje denkt nooit iemand dat het echt gebeurd is.” Schrijven, zegt hij, is liegen met permissie. En, zoals zijn vader hem leerde toen hij vijftien was: wie veel liegt, moet veel onthouden. Dan kun je maar beter in de buurt van de waarheid blijven, en schrijven met kennis van zaken. „Neem een willekeurig boek van John Irving”, zegt hij. „Dikke kans dat er een beer in voorkomt, dat erin geworsteld wordt en iets incestueus zit er ook vast in. Dat zijn zijn onderwerpen, daar zit zijn automatische kennis.” Hij had zijn personage best in een Opel kunnen laten rijden. „Maar van een Landrover D110 heb ik nou eenmaal verstand. Logisch dus dat die jongen in het boek die auto krijgt. Als het niet zo poëtisch klonk, zou ik zeggen: ik kan alleen schilderen met wat ik in huis heb.”

Zij keek Nijntje, hij schreef

Drie jaar geleden begon hij dit boek te schrijven. „Mijn dochtertje was nog heel klein en werd vaak al om vijf uur wakker. Dan ging ik met haar naar beneden. Zij Nijntje kijken op de iPad, ik schrijven.” Vandaar ook die slechte seksscènes, zegt hij. „Die lukten niet met haar in de buurt. En eigenlijk paste dat heel goed in het boek. De hoofdpersoon heeft zo’n afkeer van zichzelf, hij kán het niet. En toen heb ik de seks in eerder geschreven scènes alsnog laten mislukken.” Snel probeer ik me die scènes voor de geest te halen. „Ja, het is echt zo. Lees maar na.” Hij was dus al aan het schrijven toen Paul de Munnik voorstelde met Acda en De Munnik te stoppen? Hij knikt. „En ineens had ik het. Dat was precies wat er met die jongen in het boek moest gebeuren. In één klap het leven onder zijn voeten weggeslagen.”

Wacht even, zegt hij. „Even knakken.” Eén voor één trekt hij zijn vingerkootjes los. „De hoofdpersoon is een lapzwans. Een jongen die het te bont maakt. Ik heb niet zijn leuke kanten benadrukt, maar hem mijn slechte eigenschappen gegeven. Eigenschappen die ik vroeger had.” Ja ja, zoals? „Waar ik slecht tegen kon, is als je aan iemand zit te vertellen over een ruzie. En dat die het dan gaat opnemen voor de persoon met wie je ruzie hebt.

Dat snap ik niet. Je zit toch met mij te praten? Veel gezelliger als je mij gelijk geeft.”

Die grote bek klopt ook wel

En wat nog meer? „Een grote bek. Je kunt ook een keer je mond houden.” Want hij heeft geen grote mond meer? „Minder. Daarom ben ik ook ooit gestopt bij Dit was het nieuws.” Een satirisch programma over de actualiteit. „Mijn vader waarschuwde me dat ik zo langzamerhand de vertegenwoordiger van rechts Nederland werd. Dat kwam, Raoul [Heertje] vertolkte het links-Joodse geweten. Ik vind het dan leuk om precies het tegenovergestelde te roepen. Maar mijn vader kon zo langzamerhand de visboer in het dorp niet meer uitleggen dat het grappig bedoeld was wat ik zei.”

Ondertussen piept zijn Apple Watch om hem erop te attenderen dat er alweer een uur voorbij is, en dat hij even moet gaan staan. Hij tikt de oproep weg. „Ze vindt lang zitten niet goed voor me.” Hij zegt dat het boek oorspronkelijk bedoeld was als scenario voor een film. De boosheid van zijn personage heeft hij met opzet dik aangezet. „Boosheid is een eenduidige emotie. In een film of op het toneel heb je die duidelijkheid nodig. Je kunt niet een beetje zwanger zijn. Je moet meteen zien: deze jongen heeft een probleem, hij zinkt diep, alles gaat fout en verkeerd, maar uiteindelijk komt hij er gelouterd uit.”

Liefde, vriendschap en de dood

Die loutering is belangrijk? „Ja. En ik weet dat ik me nu op glad ijs begeef. Maar waarom vond ik De asielzoeker en Knielen op een bed violen zulke vreselijke boeken? Niet omdat het slechte boeken zijn, dat begrijp ik inmiddels. Ik vind ze niet te doen omdat de hoofdpersonen hun graf in hobbelen. Daar kan ik niet tegen. Ook niet in films. Ken je Pay it forward? Over een jongetje dat iets goeds doet voor een ander, waardoor die weer goed is voor een ander en uiteindelijk iedereen er beter van wordt. Niet gezien? Nou, ik zal het vast verklappen: aan het eind gaat het jongetje dood. Woedend was ik. Anderhalf uur van m’n leven afgepakt. En dan achterblijven met zoveel verdriet.”

Wel heel wat anders, lijkt me, een boek schrijven of een scenario. „Ik schrijf al twintig jaar.” Maar toch, een boek is geen liedje of een theaterstuk. Hij haalt zijn schouders op. Op z’n Amsterdams: „Een bakker bakt ook niet alleen maar brood.” Hij bedoelt? „Hij bakt wit, hij bakt bruin. En nu heb ik een croissantje gebakken.” In de eerste versie van het boek had hij elk hoofdstuk een titel gegeven. „Net als bij een liedje.” Hij heeft alle titels in het boek weggehaald. Niet nodig. Maar als hij nu toch in een zin of woord moest zeggen waar zijn boek over gaat, wat zegt hij dan? „Liefde, vriendschap en de dood. Ik zou niet weten waar het anders over zou moeten gaan. Uiteindelijk schrijf je altijd hetzelfde liedje.”