Alle mensapen zijn een beetje bi

De speurtocht naar de erfelijkheid van homoseksualiteit heeft nog nergens toe geleid. De hele zoektocht naar de biologische essentie van seksuele voorkeur heeft zelfs iets naïefs.

Illustratie Arjen Born Illustratie Arjen Born

Waarom zijn er homo’s en lesbiennes? Simpel: zo worden ze geboren. Dat idee is binnen de homobeweging verheven tot mantra: born this way . Het is een idee van de jaren 90: Toen zochten wetenschappers in hersenen, hormonen en DNA naar de biologische wortels van gedrag, inclusief het ontstaan van homoseksualiteit.

De eerste succesjes kwamen snel. Hersenonderzoeker Simon LeVay zag in 1991 dat een celgroepje in de hypothalamus van vrouwen en van homomannen kleiner is dan bij heteromannen. Zou komen door testosterontekort tijdens de zwangerschap. En geneticus Dan Hamer vond in 1993 op het X-chromosoom een gebiedje dat vaker bij homomannen voor zou komen. „Onze seksuele oriëntatie is geen keuze”, schreef hersenkenner Dick Swaab in 2011, „maar wordt geprogrammeerd in de baarmoeder.”

Echt? De wetenschap achter het biologische homo-onderzoek blijkt helaas wankel. Het eerste probleem is: er zijn geen genen. Genetici hebben wel gezocht in Hamers homogebiedje, dat honderden genen bevat, maar nooit genen gevonden die consequent samenhangen met homoseksualiteit. Het is de vraag óf er wel een sterke genetische aanleg voor bestaat. In een grote Zweedse tweelingstudie becijferden onderzoekers de erfelijkheid van homoseksueel gedrag op 35 à 39 procent voor mannen en 18 à 19 procent voor vrouwen. De rest is toe te schrijven aan omgevingsinvloeden (Archives of Sexual Behavior, 2010). Maar de onnauwkeurigheid van deze percentages is enorm: er is een kans van 95 procent dat de werkelijke erfelijkheid van homoseksueel gedrag tussen 0 en 60 procent ligt voor mannen en tussen de 0 en 49 procent voor vrouwen. De genetische aanleg voor homoseksualiteit verdampt dus in de statistiek.

Helaas kan ook geen hersenwetenschapper aan een hersenplakje aflezen of iemand homo is of niet. Het door LeVay gevonden celgroepje in de hypothalamus blijkt bij homo’s evenveel zenuwcellen te bevatten als bij hetero’s (Hormones and Behavior, 2001). Ook de aanwijzingen dat een gebrek aan testosteron in de baarmoeder tot homoseksualiteit leidt zijn indirect. Zo zouden mannen met veel oudere broers vaker homo zijn, doordat de moeder antistoffen tegen mannelijke hormonen aanmaakt. Maar in een recent onderzoek vonden seksuologen geen bewijs voor dit broereffect (Archives of Sexual Behavior, juli 2015).

Na 25 jaar zoeken naar biologische oorzaken voor homoseksualiteit is de oogst dus mager. Zo gaat het natuurlijk vaak met menselijke voorkeuren en neigingen – er bestaat ook niet één gen voor intelligentie of één creativiteitscentrum in het brein. En het wil zeker niet zeggen dat homoseksualiteit onnatuurlijk zou zijn. Het betekent wél dat de tot nu toe geopperde verklaringen te simpel zijn. En wetenschappers onderschatten het idee dat homoseksueel gedrag zó normaal is dat het bij alle mensen min of meer aanwezig is.

En niet alleen bij mensen: ook in het apenrijk is homoseksualiteit wijd verbreid. De Nieuw-Zeelandse primatoloog Alan Dixson publiceerde er een overzicht van in zijn boek Primate Sexuality (2012). Mannetjeschimps friemelen aan elkaars ballen. Bonobovrouwtjes wrijven hun clitorissen en vulva’s tegen elkaar. Zelfs bij de orang-oetan, een mensaap die niet bepaald bekend staat om zijn seksuele uitspattingen, doen mannetjes het met mannetjes en vrouwtjes met vrouwtjes. Elizabeth Fox was de eerste die homoseksueel gedrag tussen wilde orang-oetans beschreef (American Journal of Primatology, 2001): terwijl orang-oetan Herman de ballen en penis van Eibert streelde, stak Eibert zijn wijsvinger in de anus van Herman. De twee trokken zich daarna terug in een nest.

Dixson ziet een patroon: primaten die nauwer verwant zijn aan mensen vertonen meer homoseksueel gedrag. Halfapen, zoals maki’s, spookdiertjes en lori’s, hebben bijna alleen maar heteroseks. Ook onder de apen van Midden- en Zuid-Amerika is homoseks zeldzaam. Wie homoseks zoekt, moet bij de apen van de Oude Wereld zijn, de Afrikaanse en Aziatische apengroep waartoe bavianen, makaken, meerkatten, mensapen en mensen behoren. In 13 van de 17 geslachten doen mannetjes het met mannetjes, bij 12 geslachten werd gezien dat vrouwtjes onderling seks hadden. Deze apen zijn niet te verdelen in homo’s en hetero’s: iederéén lijkt bi.

Als biseksueel gedrag de norm is voor mensapen, dan gold dat waarschijnlijk ook voor voorouders van de mens. „Het vermogen tot biseksualiteit heeft een veel grotere rol gespeeld in de menselijke evolutie dan tot nu toe wordt erkend”, schrijft Dixson. Het idee dat mensen van nature bi zijn is oud, maar moeilijk te onderzoeken. De klassieke manier om mensen naar hun seksuele oriëntatie te vragen is bedacht door de Amerikaanse seksuoloog Alfred Kinsey. Hij kwam in 1948 met een schaal van zeven punten met exclusieve heteroseksualiteit aan de ene kant en uitsluitende homoseksualiteit aan de andere. Daartussen passen lichtere (1 of 2) en sterkere (4 of 5) homoseksuele neigingen.

In een Australische studie onder 4.901 personen (Journal of Personality and Social Psychology, 2000) beschouwde 92 procent van de vrouwen én mannen zichzelf als volledig heteroseksueel op de Kinseyschaal (score 0). Zo’n 8 procent koestert dus homoseksuele gevoelens, in meer of mindere mate. Opvallend is dat ongeveer 10 procent van de ‘volledig heteroseksuele’ mannen in dit Australische onderzoek rapporteerde ooit wel een homoseksuele ervaring te hebben gehad.

Homo- én heteroseksualiteit zijn sowieso moderne constructen. In het klassieke Athene, Florence ten tijde van de renaissance, en shogun-Japan waren homoseksuele relaties tussen mannen en jongens geaccepteerd. Deze mannen zagen zichzelf niet als homo en knoopten evengoed relaties aan met vrouwen.

Ook tegenwoordig is de grens tussen homo en hetero trouwens nog diffuus. Op Samoa, bijvoorbeeld, bestaat een derde seksuele identiteit: fa’afafine. Fa’afafine zijn geboren als mannen, maar worden al van jongs af aan gekleed en opgevoed als vrouwen. Mannen die soms seks hebben met een fa’afafine zien dat niet als homoseksuele daad. Uit een recente studie (PLOS ONE, februari 2015) waar zulke mannen foto’s van vrouwen en mannen bekeken, bleek dat ze zich in zekere mate tot beide geslachten aangetrokken voelen. In het westen zouden we dat misschien ‘bi’ noemen, maar op Samoa bestaat die identiteit niet: deze mannen voelen zich simpelweg aangetrokken tot vrouwen en fa’afafine.

In alle culturen duikt bi- en homoseksualiteit op, steeds in andere gedaantes, van de transgender-sjamanen bij Noord-Amerikaanse indianen tot de homoseksuele initiatierituelen van de Sambia op Nieuw-Guinea. Ook de westerse homo, die het exclusief met mannen doet en met regenboog als symbool, is een culturele uiting van een algemene menselijke karaktertrek. De seksuele mores van mensen (en apen) zijn zo divers, dat de zoektocht naar de biologische essentie van homoseksualiteit iets naïefs heeft. Homoseksualiteit is een natuurlijk onderdeel in het menselijke repertoire van aantrekking, lust en liefde.