We kunnen iedereen twee keer omleggen

Schiettuig is de constante in het wereldnieuws, of het nu om een bijna-bloedbad in de Thalys gaat of om opnieuw een schietpartij in de VS. De Brit Iain Overton brengt de rol van het ‘opmerkelijk onopgemerkte’ handvuurwapen in kaart.

Foto Thinkstock

De abrikoos is de beste plek om iemand te raken – dat is de plek tussen de top van de ruggengraat en de hersens. Wie daar een kogel krijgt, valt meteen neer zonder nog een stuip te geven.

Het is één van de vele smerige details in Gun Baby Gun, een panoramisch boek over de plaats van het geweer in samenlevingen, van de Britse journalist en activist Iain Overton. Nadat hij door een onvoorzichtige juichtweet over de scoop van een collega (die een canard bleek) moest aftreden als directeur van een Londens bureau voor onderzoeksjournalistiek, trad Overton in 2013 in dienst bij de Britse ngo Action On Armed Violence, die zich inzet tegen de proliferatie van kleine wapens. Handvuurwapens waren de constante in de vele brandhaarden waar Overton als journalist had gewerkt. Pistolen en automatische geweren zijn nou eenmaal vast onderdeel van het meest uiteenlopende wereldnieuws, of het nu een schutter in de Thalys betreft, een live-schietpartij op het ochtendnieuws in de VS of een extreem bloedige maand in de weer opgelaaide strijd tussen de bendes in El Salvador. Het gaat steeds om wapens. En toch gaat het er zelden over.

‘Opmerkelijk onopgemerkt’, noemt Overton het geweer in Gun Baby Gun, waarin hij de rol ervan in tal van conflicten, samenlevingen en mensenlevens onder de loep neemt. Hij rekende uit dat er bijna een miljard handvuurwapens op de wereld zijn, waarvoor jaarlijks 12 miljard kogels worden geproduceerd. Twee miljard kogels erbij, en er is genoeg om iedere aardbewoner twéé keer te vermoorden. Het is nooit heel moeilijk om aan een geweer of pistool te komen, temeer daar er ook veel in omloop zijn voor legitiem gebruik bij leger, politie en in de jacht. Daarnaast is schiettuig relatief makkelijk te maken en niet duur. Het naar schatting miljoen mensen dat dan jaarlijks een kogel in het lijf krijgt, door eigen of andermans toedoen, lijkt dus onvermijdelijk.

Broodje vlees

Het boek, waarover Overton vier jaar deed en waarin hij ervaringen uit 25 landen verwerkte, springt heen en weer als de items in een journaal. In korte scènes komen we terecht in ondermeer een Israëlisch antiterrorismekamp voor joods-Amerikaanse kinderen, op de vlaktes van Zuid-Afrika (waar Overton een gazelle schiet), op een IJslands veld waar vooral kleiduiven de klos zijn, in de lobby van een internationale wapenlobbykantoor (want verder dan die lobby komt hij niet), en bij een patrouille met de politie in Honduras.

Dat houdt de vaart erin. Dat het geen lukrake chaos wordt komt door de knappe opbouw van het boek: niet alleen een rondgang langs vier rollen van het geweer (pain, power, pleasure en profit), ook een tocht die van doden en gewonden via moordenaars, soldaten, politiemannen en jagers uiteindelijk voert naar smokkelaars, handelaars en fabrikanten.

Naarmate de lezer vordert, wordt zo duidelijker waarom een leven vaak zo weinig waard is. Door psychologische, culturele, politieke, economische en maatschappelijke oorzaken is de behoefte aan een wapen diep in de mens geworteld. Met vuurwapens kun je ontzettend veel verdienen, en de gevolgen van het gebruik ervan zijn zelden voor jouw rekening. Tel uit je winst.

Het rare is dat Overtons journalistieke missies vaak op niets uitlopen, of op heel weinig. Van de top 20 aan wapenfabrikanten neemt alleen Smith & Wesson de moeite hem te laten weten dat ze niet ingaan op zijn interviewverzoek. Op een Somalische wapenmarkt is het te gevaarlijk om uit te stappen. In het Amerikaanse Sandy Hook, waar Adam Lanza in 2012 in een basisschool twintig jonge kinderen en zes vrouwen vermoordde, voelt Overton zich een parasiet. De plaats delict, vaak spannend beschreven, dient hem dan ook vooral als decor voor de vloed aan statistieken en feiten die hij over de lezer uitstort, en die de waanzin van zoveel wapens duidelijk maakt.

In El Salvador, waar vorige week meer dan veertig moorden per dag plaatsvinden, en dat „van binnenuit belegerd” wordt door rivaliserende drugsbendes, eet hij van saus druipende broodjes vlees met bendeleden die vertellen over de bloedige moorden op hun kerfstok. Op een Beierse beurs voor de jachtwereld speelt een pianist Roberta Flacks song ‘Killing me softly’, terwijl een deel van Europa's 7 miljoen en Amerika’s 14 miljoen jagers zich verlustigt aan geweren van anderhalve ton.

De feiten en cijfers laten geen ruimte voor een andere conclusie dan deze: het gebruik van wapens is soms legitiem en noodzakelijk. Maar hoe meer wapens er zijn, hoe meer doden er zullen vallen.

De slogans van de Amerikaanse wapenlobby ‘Guns don’t kill people, people kill people’ en ‘The only thing that can stop a bad guy with a gun, is a good guy with a gun’ zijn wetenschappelijk niet staande te houden. Restrictie van wapens betaalt zich steevast uit in minder doden, minder gewonden en minder zelfmoorden.

De alomtegenwoordigheid van vuurwapens maakt een opwelling of impuls snel dodelijk. Hoezeer, blijkt uit Overtons hoofdstuk over zelfmoord, waaraan jaarlijks volgens de World Health Organization 800.000 mensen sterven, van wie een kwart door een wapen.

Op basis van verschillende onderzoeken en uit gesprekken met psychiaters concludeert Overton dat een groot deel van de mensen die een zelfmoordpoging overleven, achteraf zegt in een impuls gehandeld te hebben. Uit één onderzoek zou zelfs blijken dat veertig procent er niet meer dan vijf minuten over heeft nagedacht. Het impulsieve brein van jonge mannen – het grootste deel van de zelfmoordslachtoffers – wordt een gevaar voor ze als er een geweer in de buurt is. Toen in Zwitserland het aantal soldaten sterk werd gereduceerd – en daarmee het aantal jonge mannen dat een geweer mee naar huis mocht nemen, daalde het percentage zelfmoorden meteen.

Al vallen er nog zoveel doden, een meerderheid van de mensen overleeft een geweerschot, wat leidt tot een ‘verborgen epidemie’ van invaliden en getraumatiseerden. Het percentage overlevenden hangt sterk af van de snelheid van behandeling van schotwonden; het is in de VS veel hoger dan in schietgrage landen van Latijns-Amerika of Afrika.

Er is een cynische wedloop gaande tussen de medische wereld en die van de wapens, waarbij nieuwe vondsten, zoals microsponsjes die een schotwond meteen kunnen verzegelen, worden ingehaald door nieuwe manieren van moorden, zoals kogels die in het lichaam exploderen, als mini-mijnen.

Dat van die abrikoos hoort Overton van een Israëlische scherpschutter, een 27-jarige vrouw. Zij is een uitzondering. Uiterste voorzichtig gaat Overton in op de relatie sekse-geweer. Het zijn voor het overgrote deel mannen die van geweren houden en mannen die ermee schieten. Psychologen leggen hem uit dat mannelijkheid – in veel culturen het streven naar dominantie – met een wapen in de hand al snel een feit is. Een geweer geeft een man status, of de macht de spullen te krijgen die voor die status nodig zijn. Of het geeft hem de macht zijn woede op de samenleving te koelen, die vooral jonge, arme mannen buitensluit en hen die status onthoudt.

Mannending

Keerzijde van het feit dat vooral mannen doden en moorden is dat er voor de buitenproportionele hoeveelheid mannelijke slachtoffers van vuurwapengeweld nauwelijks specifieke aandacht is. Mannen worden vier keer zo vaak vermoord, ze sterven vaker in oorlogen en plegen vaker zelfmoord. Maar het zijn vrouwelijke slachtoffers die relatief veel aandacht krijgen. Het sterven van mannen door kogels wordt als een gegeven aanvaard, schrijft Overton bijna ‘alsof mannen hun pijnlijke eenzame dood door een geweer verdienen’.

Zo normaal en alomtegenwoordig zijn wapens, dat hun cruciale rol in veel moeizame politieke vraagstukken niet of nauwelijks onderwerp van discussie is. In wapenproducerend Europa zit men met de handen in het haar over de radicalisering van jonge moslims, maar niet over het feit dat die in Brussel, Parijs of Oost-Europa, of simpelweg op internet, steeds eenvoudiger aan een automatisch wapen kunnen komen. Amerikaanse conservatieven vinden het niet inconsequent dat zij tegen immigratie uit Latijns-Amerika zijn én minstens zo fel tegen de regulering van wapens. Dit terwijl jaarlijks 350.000 Amerikaanse wapens de grens met Mexico overgesmokkeld worden, waarmee uiteindelijk de bendeleden van Midden-Amerika vrouwen en kinderen massaal op de vlucht jagen, naar de VS.

In juli 2014 werd duidelijk dat 747.000 automatische geweren die de VS aan het Afghaanse leger had verstrekt, verdwenen waren. In Irak zijn 190.000 wapens verdwenen. De Taliban en IS maken er waarschijnlijk gretig gebruik van.

De VS, China en Rusland, de grootste wapenproducenten ter wereld, hebben een in 2013 overeengekomen, historisch VN-verdrag voor het beteugelen van wapenhandel niet geratificeerd. Grote Europese wapenproducenten, zoals Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Italië, hebben dit wel gedaan. Internationale verdragen kunnen helpen wapensmokkel naar conflictgebieden tegen te gaan, en landen die zich eraan bezondigen ter verantwoording te roepen. Maar het internet maakt alles poreus, en een verdrag is enkel van papier. Overton spreekt een Turkse wapenfabrikant die ervan baalt dat hij vanwege het wapenembargo niet legaal naar Libië kan exporteren. Ontzettend oneerlijk, want zijn concurrenten in China en Rusland hebben geen last van hinderlijke VN-beslissingen.

Kleutergeweer

Overton heeft enorm zijn best gedaan voor een boek met mondiaal perspectief. Maar onafwendbaar leiden uiteindelijk veel sporen naar de VS, al was het alleen maar omdat informatie over de Amerikaanse wapenindustrie voor een Brits journalist makkelijker te vergaren is dan over die van Rusland en China.

Toch is de focus op de VS, waar het recht om een wapen te dragen in de grondwet verankerd is, en een kleine groep machtige wapenfanaten -en fabrikanten zorgt dat geen Amerikaan dit vergeet, niet onterecht. Amerika telt 4,4 % van de wereldbevolking, maar burgers bezitten er 42% van de kleine wapens in de wereld. Uitgekiend lobbywerk en alleen al 80 miljoen dollar aan campagnegeld in de afgelopen vijftien jaar zorgen ervoor dat de vraag op peil blijft en wetgeving de industrie, goed voor een kwart miljoen banen, niet hindert. Het land telt tien keer zoveel wapenhandels als vestigingen van McDonalds. Je mag er in sommige staten wapens dragen in de kerk of een geweer verkopen aan een veertienjarige. Sigarettenfabrikanten mogen zich in reclame niet tot kinderen richten, maar tegen reclame voor kleutergeweren is geen bezwaar.

En dus vallen er veel gewonden (80.000 jaarlijks), en doden (30.000) en is er, als je gewonden meerekent, in de VS dagelijks een schietpartij met meer dan vier slachtoffers. Door het feit dat de miljoenen geweren die het land jaarlijks uitspuugt niet binnen de landsgrenzen blijven, én doordat de National Rifle Association ook in de internationale arena opereert, is Amerika’s vuurwapenverslaving ook een probleem van de rest van de wereld.

Hoe verder Overton de geldstromen traceert, hoe meer hij je ervan doordringt dat fenomenen als ‘traditie’ en ‘wapencultuur’ niet zo spontaan zijn als ze lijken, maar gevolg van de geraffineerde, doelbewuste marketing van paranoia en patriottisme door een industrie die baat heeft bij een onverzadigbare markt.

Van de vier P's uit Overtons boek – pain, power, pleasure en profit – blijkt de laatste dus uiteindelijk doorslaggevend. De wereld slaagt er niet in wapengeweld te beteugelen, omdat zij, simpelweg, ons geld verkiest boven ons leven.