Wat staat er in zijn boek?

De abrikoos is de beste plek om iemand te raken. De plek tussen de top van de ruggengraat en de hersens. Wie daar een kogel krijgt, valt meteen neer zonder nog een stuip te geven.

Het is één van de vele smerige details in Gun baby Gun, een panoramisch boek over de plaats van het geweer in samenlevingen over de hele wereld, geschreven door de Britse onderzoeksjournalist en activist Iain Overton. Hij maakt in vier delen een rondgang langs de functies die het vuurwapen heeft (pain, power, pleasure en profit), en volgt het in korte hoofdstukken van het graf tot de wieg: van de doden en gewonden via moordenaars, soldaten en jagers naar smokkelaars, handelaars, lobbyisten en fabrikanten.

Er zijn bijna een miljard handvuurwapens op de wereld. De naar schatting half miljoen vergeefse doden die er jaarlijks door vallen (zelfmoorden incluis) lijken onvermijdelijk. Kleine vuurwapens hebben bij leger en politie ook een legitieme rol en worden gebruikt voor het ruwere vermaak (jacht). Dat maakt het aan banden leggen ervan ingewikkeld. Maar vooral geldt dat je met de relatief eenvoudige fabricage van kleine wapens ontzettend veel kunt verdienen.

Overton werkte vier jaar aan zijn boek en put uit zijn verslaggeving in brandhaarden van 25 landen. Zijn vaak spannende beschrijvingen - van de manier waarop bendeleden in El Salvador druipende broodjes vlees verorberen terwijl ze vertellen over de moorden op hun kerfstok, tot de sfeer op een Beiers jachtcongres waar een pianist Roberta Flacks Killing me softly speelt - zorgen dat zijn bombardement aan feiten en cijfers de lezer niet vermoeit.

De vaste verdedigingsfrases van de wapenlobby, zoals ‘Guns don’t kill people, people kill people’ en ‘The only thing that can stop a bad guy with a gun, is a good guy with a gun’, veegt hij bijvoorbeeld van tafel met een vloed aan statistieken en wetenschappelijk onderzoek. Een ban op een bepaald soort wapens betaalt zich steevast uit in minder doden.

Dat van die abrikoos hoort Overton van een Israëlische scherpschutter, een 27-jarige vrouw. Zij is een uitzondering. Het zijn vaker mannen die van geweren houden en mannen die ermee schieten. Een geweer geeft een man status, of de macht de spullen te krijgen die voor status nodig zijn. Het geeft hem ook de macht zijn woede op de samenleving te koelen, die vaak vooral jonge, arme mannen buitensluit. Keerzijde van het feit dat vooral mannen doden en moorden, constateert Overton met verbazing, is dat er voor de buitenproportionele hoeveelheid jonge, mannelijke slachtoffers van vuurwapengeweld nauwelijks aparte aandacht is.

Zo normaal zijn geweren, dat zij ondanks hun cruciale rol in politieke vraagstukken niet of nauwelijks ter sprake komen. In wapenproducerend Europa zit men met de handen in het haar over de snelle radicalisering van jonge moslims, maar niet over het feit dat die in Brussel of Parijs zo makkelijk aan een wapen kunnen komen. Amerikaanse conservatieven zien het niet als inconsequent dat ze fel tegen immigratie uit Latijns-Amerika zijn, maar minstens zo fel tegen de regulering van wapens. Terwijl het Amerikaanse wapens zijn die Latijns-Amerikaanse vrouwen en kinderen op de vlucht jagen voor de bendeoorlogen.

Overton heeft enorm zijn best gedaan om niet alleen over de VS te schrijven. Maar onafwendbaar leiden uiteindelijk veel sporen naar dit land, waar een kleine groep machtige en ideologisch gedreven wapenfanaten de vraag naar vuurwapens op peil houdt met uitgekiend lobbywerk en alleen al 80 miljoen dollar aan campagnegeld.

Hoe verder Overton de geldstromen volgt, hoe beter hij je ervan doordringt dat fenomenen als ‘traditie’ en ‘wapencultuur’ niet zo spontaan zijn als ze lijken, maar de gevolgen van de uitgekiende, doelbewuste marketing van paranoia en patriottisme door een industrie die alleen al in de VS jaarlijks 6 miljoen nieuwe vuurwapens uitspuugt en daar een miljard dollar winst mee maakt.