Vroeger was de pers niet beter

Critici van de pers beweren dat journalisten vroeger objectiever waren en minder sensatie zochten. Zij hebben het helemaal mis, ontdekte Jesper Verhoef.

Illustratie Dario Castillejos Illustratie Dario Castillejos

Volgens het CBS had in 2013 slechts 32 procent van de bevolking vertrouwen in de pers. Een kleine inventarisatie door NRC (25/8) onder ‘pershaters’ leidde tot vier veelgenoemde klachten: journalisten zouden sensatie zoeken, elkaar napraten, bevooroordeeld zijn en te weinig weten. De vergelijking met vroeger blijkt snel gemaakt. Eén respondent stelt: „Vroeger had je rustiger, objectiever nieuws.” Ook Rob Wijnberg zet in interviews en in zijn boek De Nieuwsfabriek (2013) de eigentijdse journalistiek af tegen die van vroeger, en ontwaart een ontwikkeling ten kwade – reden De Correspondent op te richten.

Hoewel in de NRC-bespreking van het CBS-onderzoek experts kanttekeningen plaatsen bij de stelling dat de pers vroeger beter was, verdient zij een systematischer ontzenuwing. Immers, naarmate mensen via een historische vergelijking tot de conclusie komen dat de pers niet te vertrouwen is, zullen zij haar eerder als schoothondje of keffertje zien in plaats van als waakhond van de democratie. Dit werpt dan de vraag op of journalisten überhaupt nog wel de controle van de macht toevertrouwd kan worden.

Onderzoek naar de Nederlandse dagbladpers (raadpleegbaar via delpher.nl) leert dat dit wantrouwen historisch gezien ongegrond is. Juist in vroeger tijden viel kranten verwijten te maken: het niveau van de berichtgeving in een groot deel van de 20e eeuw ontsteeg soms amper dat van een schoolkrant. Beperken we ons tot het interbellum dan zien we dat regelmatig moppentrommels werden gepubliceerd, louter ter verstrooiing. Daarnaast plaatsten praktisch alle kranten wist-u-dat-rubriekjes en een constante stroom geruchten en bakerpraatjes over beroemdheden zoals Hollywoodsterren. Kranten verlieten zich dikwijls slechts op (buitenlandse) persbureaus of op elkaar, ook wanneer een bericht niet geverifieerd was. Het feit dat het hier om zowel sensatie als napraten ging bleek dus geen belemmering de kopij toch af te drukken.

Ook objectiviteit was vroeger geen absolute vereiste. Integendeel. De gehele dagbladpers zag er bijvoorbeeld geen been in om zich in het interbellum consequent negatief of zelfs laatdunkend uit te laten over Amerika. Een gebrek aan kennis over het onderwerp – de meeste journalisten waren zelf nooit in Amerika geweest – vormde daarbij allerminst een beletsel boude uitspraken te doen. Zo was de benaming ‘Dollarika’ in zwang, alsof alles in de VS om geld zou draaien. Zo schreef de voorloper van deze krant, het Algemeen Handelsblad, in 1923 weinig genuanceerd: ‘Geld is macht. Hoe meer dollars er via LA en Hollywood Amerika binnenkomen, hoe hoger de zak met geld wordt, waaruit Uncle Sam zijn macht put, en waarop hij kan gaan zitten om de rest van de wereld uit te lachen.’ Nederlandse journalisten zetten ‘Yankees’ bovendien met regelmaat van de klok weg als naïef, en hun samenleving zou gekenmerkt worden door een gebrek aan manieren en cultuur – allemaal vooringenomen standpunten, die ze decennialang bleven herhalen. Deze historische voorbeelden, die met gemak uitgebreid kunnen worden naar andere periodes, onderstrepen dat de Nederlandse dagbladpers vroeger allerminst ‘beter’, dat wil zeggen objectiever of rustiger was. Een uitkomst die in overeenstemming is met een onderzoek van de VU uit 2011, dat uitwees dat journalisten in 2002 niet losser of subjectiever taalgebruik bezigden dan in 1950.

Ik zou de stelling zelfs willen omdraaien: in ieder geval wat de kwaliteitskranten betreft zijn objectiviteit en rust in de berichtgeving momenteel beter gewaarborgd dan vroeger. De bereidheid tot introspectie van de pers is bovendien groter dan ooit. Er zijn ombudsmanmen en -vrouwen gekomen en bij de allergrootste kwesties (zoals de journalist die verzonnen bronnen opvoerde in Trouw en de verslaggeving over prins Friso’s ongeluk in NRC) besloten de kranten in kwestie zelf hun (kwalijke) journalistieke handelen onafhankelijk te laten onderzoeken, leidend tot kritische rapporten.

Deze open, professionele houding verschilt hemelsbreed van die van kranten vroeger – zoals ook Jaap de Jong, hoogleraar journalistiek, in het al aangehaalde NRC-artikel opmerkt. De houding van het toch gerespecteerde Het Vaderland in reactie op een vermanende lezersbrief is exemplarisch voor de arrogantie van de pers in vroeger tijden. Een lezer riep die krant in 1932 op haar klopjacht op en hysterische berichtgeving over Hollywood-actrice Greta Garbo – die volgens geruchten in Nederland zou zijn – te staken. De krant riposteerde: „Als het feit van het bezoek eener filmdiva het publiek tot excessen verleidt, zoo moet men daar het publiek zélf en niet de pers een verwijt van maken.”

De conclusie is dat kranten zich van hautaine ‘meneren’ hebben ontwikkeld tot bescheiden, goedgeïnformeerde bodes, die met een gerust hart de machtscontrole toevertrouwd kan worden. Deze transformatie ten goede verdient het breder onder de aandacht gebracht te worden.