Van penistouwtje tot boerka

Schaamte is er al sinds de mens rechtop loopt, die om zich te bedekken een touwtje om deed. Inmiddels is het volgens Mineke Schipper andersom: hoe minder bedekt, hoe onafhankelijker de vrouw.

Tuccia met vergiet als bewijs van kuisheid schilderij Giovanni B. Moroni, 1555 National Gallery Londen

Hoeveel geef je van jezelf bloot? Letterlijk? Die vraag heeft de mens sinds die minder behaard werd en rechtop ging lopen bezig gehouden. Over de mate waarin we ons lichaam bedekken of bloot willen geven in de openbare ruimte door de eeuwen heen heeft Mineke Schipper een fascinerend boek geschreven: Bloot of bedekt. Van niets om het lijf tot strak in het pak.

Aan de hand van thema’s, zoals Opwinding, Religie als bedekkende geschiedenis en Bloot als protest en protest tegen bloot, behandelt Schipper verschillende aspecten van de historie van onze kleding, in verschillende culturen.

Ze vertelt losjes, en dist veel aardige wetenschappelijke feitjes op – antropologische, archeologische: mensen gingen pas lichaamsbedekkende kleding dragen toen ze rond 40.000 jaar geleden Afrika verlieten – dat is onder meer te reconstrueren aan de hand van de ontwikkeling van mensenluizensoorten.

Schipper gebruikt ook persoonlijke anekdotes, bijvoorbeeld over een ontmoeting met geheel in het zwart gehulde, gesluierde vrouwen in Oost-Afrika. Zij spraken Schipper, die gekleed was in broek, T-shirt en jasje, aan op het feit dat ze niet genoeg bedekt was. Dat was onfatsoenlijk, onkuis en ze zou zeker branden in de hel als ze zich zo bleef kleden en haar vrouwelijke vormen zo zichtbaar bleven.

Die obsessie met typische vrouwelijke (en mannelijke) lichaamskenmerken vormt een rode draad in de geschiedenis van onze kleding. Dat begon al met het draadje dat onze voorouders waarschijnlijk als enige om het lijf hadden, toen ze nog naakt in Afrika rondliepen. Een handig koordje om de heupen was een van de eerste veel voorkomende kledingstukken, vertelt Schipper – een touwtje waar de mannen al snel ook hun voorhuid onder klemden, om te voorkomen dat ze met een spontane erectie oncontroleerbare opwinding toonden bij het zien van een vrouw. Zo maar je eikel tonen en plein public was taboe, leverde schaamte en gezichtsverlies op. Vandaar dat in verschillende culturen mannen als voorzorg ook nog met een touwtje hun voorhuid afbonden, een eikelbeschermende praktijk die ook naakte Griekse sporters in de oudheid nog toepasten.

De wereldwijde verspreiding van peniskokers wijst op hetzelfde wijdverbreide taboe. De angst om misschien als man niet mee te tellen als je een te kleine penis zou hebben, en de drang om die te verhullen kan ook meegespeeld hebben. Aan onze geslachtsorganen kennen we nog steeds sterke, magische krachten toe. Volgens Schipper raken sommige violisten voor ze aan een klassiek concert beginnen even hun deel aan, in de hoop dat dat geluk brengt.

Voor vrouwen was het bedekken van geslachtskenmerken als borsten en billen in verschillende culturen van belang om hun waardigheid, eer en kuisheid te beschermen. Maar eigenlijk, schrijft Schipper, kan elk lichaamsdeel van mannen en vrouwen beladen worden met schaamte in een bepaalde cultuur: lippen, ogen, voeten, haar, die vervolgens bedekt moeten worden. Of er moest met versierselen of kledingstukken juist aandacht gevestigd worden op bepaalde lichaamsdelen, die voor de seksuele selectie van belang zijn. Wat dat betreft lijkt er weinig veranderd sinds de eerste mens. Hoewel er sinds de Franse Revolutie, die een doorbraak voor de lange broek betekende, een taboe lijkt te rusten op versierende kleding voor mannen.

Hoewel de man ruim aan bod komt (wijst de komst van de gleufhoed op feminisering van de samenleving?) gaat dit boek uiteindelijk vooral over vrouwen. Over de vrouwelijke maatschappelijke, economische en religieuze positie in relatie tot kleding. Schipper staat uitvoerig stil bij de voortwoekerende boerka-discussie, over de mate waarin met name de islam zou voorschrijven dat vrouwen zich moeten bedekken.

Schipper, die eerder succes had met haar boek Trouw nooit een vrouw met grote voeten, een verzameling van vrouwonvriendelijke spreekwoorden uit de hele wereld, gaat uitvoerig in op wat er nu wél en niet in de Koran staat over de plicht van vrouwen om zich te bedekken. Dat is minder dan vaak wordt gedacht. Ze citeert tekstonderzoeken waaruit blijkt dat bepaalde erg strenge, en ook in islamitische kringen omstreden interpretaties van overgeleverde uitspraken van Mohammed tot strenge bedekkingsregels leidden. En dat het vooral propaganda uit Saoedi-Arabië is die momenteel wereldwijd zulke strenge regels populair maakt.

Als regel geldt in het algemeen, stelt Schipper: hoe onafhankelijker de positievan een vrouw in een cultuur is, economisch, maatschappelijk, hoe minder groot de druk om bedekt door het leven te gaan. Hoewel Schipper oproept tot respect voor verschillende opvattingen over bedekking in onze geglobaliseerde samenleving, is ze ook kritisch. Ze is pleitbezorger van meer vrijheid voor vrouwen; de vrouw moet keuzevrijheid hebben om zich te kleden zoals ze wil, en om zich buitenshuis te bewegen zoals ze wil, vindt ze. Dat islamitische vrouwen vooral binnen moeten blijven en als ze al in de openbare ruimte komen zich zo veel mogelijk moeten bedekken, zoals in sommige Arabische landen gepropageerd wordt – en dat dat ook in het decadente Westen voor jonge moslima’s de norm zou moeten zijn – vindt ze een ‘achterhoedegevecht’ dat ‘niet valt te winnen’. Ze schrijft: ‘Vrouwen zullen steeds meer opleiding krijgen en steeds meer buitenshuis gaan werken: wat culturele en religieuze tradities daarover ook beweerd hebben, separatie van seksen is allang een doodlopende straat.’

Het boek is daardoor ook een rustige, breed uitwaaierende poging om het huidige maatschappelijk debat over ‘hoeveel van jezelf geef je bloot’ meer achtergrond te geven.