‘Toen ik met deze roman klaar was, wilde ik kapster worden’

Met haar nieuwe roman maakte Annelies Verbeke een best of twaalf jaar schrijverschap. „Ik heb meer oog gekregen voor wat er allemaal is in de wereld.”

Annelies Verbeke: „Ik erken wel het bestaan van de goedheid.” Foto Wouter Van Vooren

Het was, zo zei ze zelf, alsof ze met een zwaailicht op haar hoofd de Nederlandse literatuur binnen kwam, twaalf jaar geleden. Annelies Verbeke heette de opmerkelijkste debutant sinds Arnon Grunberg te zijn. Van Slaap! werden meer dan zeventigduizend boeken verkocht, een resultaat waar de opvolgers, Reus, Vissen redden en de verhalenbundels Groener gras en Veronderstellingen niet aan konden tippen.

Haar dit voorjaar verschenen nieuwe roman Dertig dagen werd in Nederland en Vlaanderen woest enthousiast onthaald en staat inmiddels op de longlist van de ECI Literatuurprijs, de opvolger van de AKO-prijs „Het had me ook wel een beetje teleurgesteld als ik dáár niet op was gekomen”, zegt Verbeke in haar achtertuin in Gent, die de sporen draagt van de langdurige verbouwing van een tuinhuisje tot werkruimte.

In de roman maakt een Vlaamse klusjesman van Senegalese afkomst zich geliefd bij de bewoners van de Vlaamse zuidwesthoek door hun huizen te repareren en hun verhalen aan te horen. Daar ontdekt deze Alphonse een tentenkamp vol vluchtelingen die de overtocht naar Engeland proberen te maken – waarmee Dertig dagen óók een roman werd over de voornaamste Europese actualiteit van deze zomer. Verbeke maakte vanaf april 2013 een jaar lang een wekelijks blog over de grensstreek in het kader van 300 jaar Vrede van Utrecht.

Wat stond u voor ogen toen u aan deze roman begon?

„Mijn hoofdpersonages zijn altijd buitenstaanders en helpers, die meestal worden omringd door een vijandige wereld. Vaak zijn het ook mislukte helpers, zoals Monique Champagne in Vissen redden. Ik wilde nu eens iets anders over dat onderwerp zeggen. Ik kon niet blijven volhouden dat elke poging tot hulp mislukt.”

Desondanks loopt het niet goed af met Alphonse, wat al een beetje verraden wordt door de aflopende hoofdstuknummering, van dertig af.

„Velen lezen het als een louter positief boek en zijn verrast door het slot, maar er zit vanaf het begin dreiging in. Ik heb mijn best gedaan om er genoeg voortekenen in te stoppen. Ik had met mezelf afgesproken dat ik steeds in tien velletjes A4 een dag uit het leven van Alphonse zou beschrijven. Daardoor moest ik langer bij de dingen stilstaan. Het boek is er ook essayistischer door geworden – en dikker dan mijn vorige romans.”

U schrijft ook meer over de natuur dan in uw eerdere werk.

„In al mijn romans staat een soort omgeving centraal. In Slaap! was dat de stad, in Reus de woestijn en in Vissen redden de zee. Nu wilde ik over het platteland schrijven. Dat komt misschien uit een hernieuwde belangstelling voor de natuur bij mijzelf. Ik werd me ervan bewust hoe veel dingen er bestonden zonder dat ik er een woord voor had. Dat begon met wolken. Die bleken allerlei namen te hebben, waardoor ik bij de Cloud Appreciation Society belandde. Het begon allemaal met een uitbreiding van mijn vocabulaire over de natuur. Daar wilde ik met mijn hoofdpersoon een vreemdeling in plaatsen. Iemand die moe is van het leven in de stad, met alle vetes en competitie.”

Verlangt u zelf naar die rust?

„Altijd als ik een boek af heb, maak ik een kleine crisis door en dat had ik nu ook. Bovendien ging mijn hond dood en van die dingen... er leken allemaal eindpunten in mijn leven te zijn. Plots realiseerde ik me: eigenlijk wil ik nog steeds kapster worden. Mijn lief ging daar dan ook wel in mee, die zag het wel zitten om zich om te scholen tot kapper. Zo zaten we te dromen van een eigen kapsalon. Maar mijn vrienden zeiden dat ik toch zou blijven schrijven. Mijn lief uiteindelijk ook, En mijn vader merkte op dat er tussen kappers onderling ook veel rivaliteit is.”

U bent twaalf jaar geleden meteen in het diepe gegooid.

„Ik word soms wel een beetje moe van de literaire wereld, maar er is geen reden tot klagen. Er zijn mensen die veel zwaardere dingen moeten doen voor hun werk. De afgelopen twaalf jaar zijn hele leerzaam voor me geweest. Ik zou niet willen zeggen dat ik liever zonder dat zwaailicht begonnen was. Vanaf het eerste moment kon ik leven van het schrijven. Ik ga niet klagen over de 75 duizend verkochte exemplaren van Slaap!. Aan de andere kant wordt alles afgemeten aan dat commerciële succes. Terwijl ik mijn laatste boek duidelijk beter vind dan mijn eerste.

„Ik heb het verschil ontdekt tussen de dingen die de meeste aandacht trekken en de zaken die ik zelf het liefste doe, zoals korte verhalen schijven. Verhalen heten commerciële zelfmoord te zijn, je moet romans schrijven om erbij te blijven horen. Er is zes jaar verstreken sinds Vissen redden en er wordt over geschreven alsof dat mijn vorige boek was, terwijl ik ook een verhalenbundel, vier toneelstukken een oratorium en een novelle in jambische pentameters heb geschreven. Het is niet dat ik heb stilgezeten.”

Een van de bijfiguren in de roman is een schrijfster die in de buurt werkt en een erotisch verhaal over Alphonse schrijft.

„Ik heb al langer het plan om een bundel semi-autobiografische verhalen te maken met ‘de auteur’ als hoofdpersoon. Nu belandde ze ineens al in dit boek.”

Die ‘auteur’ rijdt doelloos rond in de streek en heeft een onaangename confrontatie met een interviewer, die bij haar op de vloer poept.

„Wat dat betreft moest ik wel wat kwijt; een best of van twaalf jaar schrijverschap. In de roman is vooral belangrijk voor me hoe haar blik op de hoofdpersoon verandert. Het begint als ‘de Afrikaan’, hij is een lichamelijk object in dat erotische verhaal. Gaandeweg gaat ze hem steeds meer als individu zien.”

Heeft u bewust voor een migrant als hoofdpersoon gekozen?

„Dat element krijgt soms veel nadruk, maar voor mij is het niet zo belangrijk. Ik wilde Alphonse vooral een duidelijke buitenstaander laten zijn. Bovendien heb ik wel iets te zeggen over het onderwerp. Ik ben zelf samen met iemand van Senegalese afkomst en dan zie je toch dingen die opmerkelijk zijn. Het zijn de thema’s waar ik altijd mee bezig ben: wat is de werkelijkheid voor wie?

Alphonse leeft in een werkelijkheid waarin elk moment tegen hem gezegd kan worden: wat doe jij hier eigenlijk?

„Zo is het in de werkelijkheid ook wel. Af en toe word je geconfronteerd met onversneden racisme. Aan mijn blanke vrienden zonder donkere vrienden – dat komt toch heel veel voor – merk ik dat ze dat niet begrijpen. Er gebeuren veel onhandige dingen, zoals de gewoonte om dadelijk over Obama te beginnen in de nabijheid van een donker persoon. Of voortdurend als eerste vraag: waar kom je vandaan? Er is een hele waaier aan manieren om met een buitenstaande om te gaan. Daar wilde ik iets van tonen.”

Bent u een moralist?

„Verandering is nooit mijn intentie. Ik laat zien wat me opvalt. De wereld redden gaat altijd mis. De reden dat deze helper meer voor elkaar krijgt is dat hij in zekere zin passief is, Hij luistert naar de mensen bij wie hij werkt, dat vinden die mensen bijzonder.”

En hij bekommert zich om de vluchtelingen – daar doet hij meer dan luisteren.

„Het was voor mij ook onvoorstelbaar wat er gebeurt. Ik stond daar en dacht: wow, een sloppenwijk slash loopgraaf waar mensen in wonen – op nog geen uur rijden van mijn huis. En mensen zitten daar soms anderhalf jaar. Een van de mensen van Medecins du Monde die daar werkte vertelde me hoe boeren met landbouwvoertuigen de weg blokkeerden. Het verhinderen van hulp gaat nog veel verder dan onverschilligheid. Er gaan daar nog vreselijke dingen gebeuren. En de overheid doet niks. Het Europese geld dat Frankrijk en Engeland krijgen voor de opvang van mensen wordt besteed aan hekken en beveiliging.”

Is ‘Dertig dagen’ een optimistisch boek?

„Daar ben ik zelf nog niet uit – afhankelijk van mijn humeur zie ik het anders. Ik erken wel het bestaan van de goedheid. Je ziet aan Alphonse dat het mogelijk is om goed te doen als het goed gaat in je leven en als je van de mensen houdt. Maar onoverwinnelijk ben je niet. Alphonse houdt tot het laatst vast aan de schoonheid – in die zin is hij een soort Christusfiguur.”

Hij is niet de eerste in uw oeuvre.

Ze duiken steeds weer op. Ik vraag me af of ik nu dan klaar ben met die Jezusfiguren. Ze gaan al een tijdje mee. Er is Monique Champagne in Vissen redden, maar er staat bijvoorbeeld in mijn bundel Veronderstellingen een verhaal over Christus die terugkeert op aarde als Schnauzer. Hij pleegt zelfmoord omdat hij niet weet hoe de mensen moet redden.

Bent u religieus opgevoed?

„Helemaal niet. Ik heb als kind wel een religieuze periode gehad. Mijn atheïstische ouders hebben mij daar helemaal vrij in gelaten. Dus ik ging ik elke week in mijn eentje naar de kerk. Dat kon wel: we woonden in een klein dorp en het was vóór Dutroux. Het is overigens vrij snel over gegaan; het duurde van mijn zevende tot mijn negende.

„Het is interessant om te zien hoe de cultuur aan elkaar hangt van Bijbelverhalen. Het idee van een zich uit goedheid opofferende figuur is ook literair interessant. Het spreekt mensen aan omdat ze moeite hebben met de gedachte dat eerlijk niet noodzakelijk het langst duurt. Af en toe geef ik lezingen in gevangenissen. Daar stuit je steeds op hetzelfde verhaal: mensen die zeggen anderen onophoudelijk geholpen te hebben en menen daar niets voor teruggekregen te hebben: die frustraties leven enorm. Ze zien de wereld als gevuld met klootzakken en besluiten dan maar de grootste klootzak van allemaal te zijn. Tegelijkertijd kun je er ook voor kiezen om je medemens niet het hoofd in te slaan – gewoon omdat je daar helemaal geen zin in hebt.”

Tegenover de helper Alphonse staat in de roman zijn echtgenote, Kat. Die slaagt er veel minder in om rust te vinden.

„Zij ziet de problemen en gevaren van alles wat Alphonse doet, al speelt ook een zekere jaloezie mee: zij wil hem voor zichzelf. Zij is beter in het trekken van grenzen, in afbakenen. Ze ziet dat wat hij zich allemaal op de hals haalt, te veel is voor een mens. Ze probeert hem met beide benen op de grond te zetten. Kat en Alphonse zijn twee stemmen in mijzelf, waarbij hij de laatste jaren de overheersende is.”

U lijkt milder tegenover de wereld te staan dan in uw eerste boeken.

Slaap! was inderdaad een en al rusteloosheid en ongemak. Ik heb meer oog gekregen voor wat er allemaal is in de wereld. Van alle planeten moet dit toch wel de rijkste zijn. Het is vaak een kwestie van endorfines in welke mate je dat kunt zien.” En lachend: „Het zal de leeftijd wel zijn. Ik word gewoon oud!”