Spaarders eerlijker belast

De vermogensrendementsheffing is een goed voorbeeld van een fiscale maatregel die in zijn uitwerking oneerlijk uitpakt. Het is dus toe te juichen dat het kabinet van plan is om deze belasting te wijzigen. De ‘kleine’ spaarder zal daarvan profiteren. ‘Klein’ is hier relatief: wie minder dan 21.000 euro aan vermogen (zoals spaargeld) heeft, betaalt de heffing al niet. De minder kleine spaarder zal straks, vanaf 2017, een lager bedrag aan de fiscus hoeven over te maken.

Dat wordt om te beginnen veroorzaakt door de vrijstelling van 21.000 naar 25.000 euro te verhogen (50.000 euro voor een tweepersoonshuishouden). Maar vooral is van betekenis dat het kabinet het onredelijke element in deze heffing op vermogenswinst althans voor een deel schrapt. Dat is de irreële aanname dat wie over vermogen (spaargeld, beleggingen, huis) beschikt daarover elk jaar een rendement van 4 procent boekt. Over dat fictieve bedrag moet 30 procent worden betaald, hetgeen neerkomt op 1,2 procent over het vermogen zelf. Een blik op de rentestand van de laatste jaren leert dat 4 procent fictief en veel te hoog is. Voor menig spaarder was en is de consequentie dat sparen geld kóst, als de belasting hoger uitpakt dan de rente die hij van de bank krijgt. Ook beleggers ervoeren dat hun rendement soms lang niet zo hoog was als de fiscus voor hen had bedacht.

Toenmalig minister Gerrit Zalm (VVD) van Financiën zei in 2001: „Elke sukkel haalt meer dan 4 procent rendement.” Daarin heeft hij zich dus danig vergist, tenzij in Nederland een opmerkelijk aantal sukkels woont. De medebedenker van de vermogensrendementsheffing, toenmalig staatssecretaris Willem Vermeend (PvdA), erkende de laatste jaren een en andermaal dat de aanname van 4 procent rendement niets met de werkelijkheid te maken had.

De Hoge Raad buigt zich over de vraag of dat fictieve percentage niet strijdig is met Europees recht, maar het kabinet wacht terecht niet op het arrest. Het kiest voor een aanbeveling die de commissie Van Dijkhuizen deed om de rente te koppelen aan een jaarlijks gemiddelde over de afgelopen vijf jaar. Daardoor wordt 4 procent in 2017 verlaagd tot 2,9 procent. Dat wil zeggen: over vermogens tot 100.000 euro. Daarboven wordt het 4,7 procent, doordat dan ook het rendement op bepaalde aandelen wordt meegerekend. Boven het miljoen wordt het rendement op 5,5 procent gesteld.

Daarmee blijft de heffing een fictief element houden; de fiscus gaat er gemakshalve vanuit dat iedereen die meer dan een ton aan vermogen heeft, belegt. Het is niet onredelijk dat ook de vermogensbelasting een progressief tarievensysteem kent, maar dat de fictie er niet helemaal uit verdwijnt, is jammer.