Slimme serie over cocaïne, jelly beans en veel geld

Het is een indrukwekkend scène: het moment waarop de Mateo Moreno, bijgenaamd ‘de Kakkerlak’, vanonder een berg lijken kruipt en bebloed door het dorre landschap strompelt. Moreno is in 1973 de enige overlevende van een groep Chileense drugsdealers die, in opdracht van Pinochet, werden geëxecuteerd. Ineens een machtig man, gaat de Kakkerlak op zoek naar een goede distributeur voor zijn cocaïne. Het antwoord? Pablo Escobar.

In de nieuwe Netflix-serie Narcos wordt het verhaal over de Colombiaanse drugsbaron Escobar verteld vanuit het perspectief van Steve Murphy (Boyd Holbrook), een agent bij de Amerikaanse drugsbestrijdingsdienst die op een simpele manier de ontstaansgeschiedenis van de cocaïnehandel in Latijns-Amerika in de jaren tachtig beschrijft. Neem zijn uitleg over de buitenlandpolitiek van president Nixon: „We dachten dat hij deugde. En Nixon dacht dat generaal Pinochet deugde omdat hij een hekel had aan de communisten. En dus hielpen we Pinochet aan de macht.”

Het is Jip-en-Janneketaal, maar met de vertoning van archiefbeelden, werkt het wel. Ook wordt losjes uitgelegd hoe het Medellínkartel, onder leiding van Escobar, opereerde: op het hoogtepunt produceerden de superlabs – van blad naar pasta naar poeder – 10.000 kilo per week tegen een prijs van 50.000 dollar per kilo. Onvoorstelbaar veel geld stroomde Colombia binnen, wat een probleem werd: hoe kan je zulke enorme bedragen witwassen? Het levert lachwekkende situaties op: zo zou Escobar op papier met zijn ‘taxibedrijf’, bestaande uit drie taxi’s, 5 miljoen dollar per week binnenhalen. Verder liet hij vele dollarbiljetten begraven.

De slimme mix van feit en fictie levert, samen met het uitstekende acteerwerk van Wagner Moura (Escobar), een onderhoudende tv-serie op. Ook de jaren tachtig zijn tot in detail uitgewerkt. Van het halflange kapsel van Escobar tot aan de lompe satelliettelefoons en de jelly beans die Ronald Reagan ronddeelde tijdens crisisoverleg in het Witte Huis.