Niet Schengen maar Dublin is dood

Gaat het vrij reizen in Europa eraan? Na de mislukte aanslag op de Thalys en vanwege de vluchtelingencrisis rijst de vraag of de binnengrenzen dicht moeten. Tegen terroristisch geweld is een herinvoering van grenscontroles geen remedie. Dan stapt een bewapende jihadi niet op de internationale trein, maar op een regionaal boemeltje of in de metro. Daarentegen zet de ongekende vluchtelingenstroom een grotere druk op vrij reizen. Toch is ‘Schengen’ niet dood. Er gebeurt iets anders. In deze crisis ontdekken Europese regeringen wat het betekent één buitengrens te delen. Lang deden we in West-Europa graag of de Griekse, Italiaanse of Hongaarse grens een Grieks, Italiaans en Hongaars probleem waren. Deze wegkijkbenadering zit vervat in de regel dat asielzoekers mogen worden teruggestuurd naar hun EU-land van binnenkomst. Dit asielstelsel legt een onevenredige druk op de frontlijnstaten en werkt hun perverse afschuifgedrag in de hand. Neem het hek dat de Hongaren bouwen aan de buitengrens met Servië. Een blik op de kaart leert dat dit maar een kort stukje grens is; de langere grenzen met Roemenië en Kroatië krijgen géén hek. Vreemd? Nee. Het doel van de regering-Orban is bereikt wanneer asielzoekers op de Balkanroute – 3000 per dag momenteel – een afbuigende beweging maken en de Unie op Roemeens of Kroatisch grondgebied betreden. Wie vandaar doorloopt naar Hongarije kan dan met recht, reden en een uitgestreken gezicht worden teruggestuurd naar het land van binnenkomst. Niet vrij reizen is dood (‘Schengen’), maar dit EU-asielsysteem (‘Dublin’).

De conclusie hieruit trekken doet pijn. Vandaar het getreuzel en de onwil. De conclusie luidt: een buitengrens delen betekent verantwoordelijkheid voor binnenkomers delen. Dit is slikken, ook in Den Haag. Maar wegkijken gaat niet meer. Hét grote conflict in de Europese Unie zal dit najaar gaan om de herverdeling van asielzoekers. Ja of nee? Verplicht of vrijwillig? Met welke verdeelsleutel? De eerste schermutselingen, sinds dit voorjaar, waren niet verheffend. De 28 regeringsleiders hadden op een migratietop in april geen zin in ‘verplichte’ quota. In juni – ondanks een ingediend voorstel in die richting – hadden ze dat nog steeds niet. Commissievoorzitter Juncker toont zich hierover voortdurend en met talent verontwaardigd. „We hebben veel toppen van regeringsleiders gehad (..) maar wat we nodig hebben is dat alle EU-lidstaten de Europese maatregelen nu aannemen en uitvoeren”, schreef hij gisteren in NRC. Onder deze zin steekt diepe ergernis over populistische nationale leiders. Juncker mag de logica en het geweten aan zijn kant hebben, maar in de politiek is dat niet genoeg. De verplichte opname van asielzoekers is nieuw en ingrijpend. Het vergt stevig draagvlak. Zoiets kan niet vanuit Brussel worden opgelegd; dat moet je zelfs niet willen. Ook een onderonsje van Commissie, Europees Parlement en de 28 ministers van Justitie volstaat niet. Met respect voor onze minister Van der Steur, dit moet Rutte doen. Asiel is Chefsache geworden. In Duitsland – bondskanselier Merkel liet deze week weten dat haar eigen ambtenaren de zaak in de hand nemen – maar ook in Italië, Spanje, Hongarije. De politieke leiders moeten het draagvlak vinden, parlementen overtuigen, lokale bestuurders bijstaan.

Dus moet Juncker zijn chagrijn overwinnen en samen met zijn collega-voorzitter Tusk, die de 28 regeringsleiders voorzit, werken aan een ‘tijdelijke’ verdeelsleutel op basis van ‘objectieve’ criteria; daar moeten ze de 28 leiders van overtuigen. Kabaal zal er altijd losbarsten, dus er moet voor Merkel, Renzi, Rutte, Orban en de anderen ook wat te onderhandelen over blijven. Leiders willen na afloop van een top graag zeggen er het beste voor hun land te hebben uitgesleept. Dat is dan niet schandalig of onbarmhartig, ook dat is politiek.