Met 21 pitbulls houdt Andor ‘indringers’ bij de grens tegen

Met een hek probeert Hongarije immigranten te weren. Grensbewoners zijn pessimistisch en richten burgerwachten op. De stad iets verderop past zich ondanks alles aan.

Syrische vluchtelingen bij het grensdorp Ásotthalom. Op het dorpsfeest iets verderop is van vluchtelingen niets te merken. Foto Laszlo Balogh/Reuters

Het Hongaarse antimigrantenhek staat op een steenworp van zijn deur, maar voor Andor Filó (43) is dat niet genoeg. In het dorre gras van zijn tuin liggen stapels staaldraad klaar om een eigen afsluiting te bouwen. En als dat de vluchtelingen niet weghoudt, heeft de hondentrainer nog steeds zijn 21 waakhonden. „Pitbulls”, lacht de getatoeëerde bonk met puntbaard. Terwijl we langs het zandpad in het grensplaatsje Röszke naar de grenslijn wandelen, rukt een enorm bruin-wit exemplaar woest aan zijn ketting.

Filó weet het wel: het zijn niet alleen gewone families die hier ’s nachts illegaal de Servisch-Hongaarse grens oversteken, maar ook getrainde jonge mannen die zijn land infiltreren. „Ze laten geen vuilnis achter en dekken hun sporen af”, zegt hij, terwijl hij gehurkt de akkers tussen zijn huis en de grens afspeurt. „Zoals soldaten.”

Filó’s overtuiging is radicaal, maar niet uniek. Regeringsgezinde media hebben het ook over ‘indringers’ en ‘horden’ waaronder zich terroristen schuilhouden. Het maakt veel Hongaren wantrouwig tegenover de meer dan tweeduizend vluchtelingen die de politie dagelijks aan de grens onderschept.

De 175 kilometer lange ‘muur’ – een hek met drie spiraalvormige bundels prikkeldraad dat wordt uitgebreid met een tweede afrastering – zal de onwelkome gasten misschien wel even afschrikken, zegt Filó. Maar nu al knippen ze er gaten in en aan het drielandenpunt met Roemenië stopt de afsluiting abrupt, midden in een veld. Een absurde aanblik en volgens critici het bewijs dat de muur, gebouwd met de inzet van gevangenen en bijstandstrekkers, een poging is om vluchtelingen om te leiden naar Roemenië en Kroatië, zodat de plicht hun asielaanvraag af te handelen volgens Europese regels niet langer bij Hongarije ligt. Volgens de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR haasten sommige vluchtelingen zich nu richting de Hongaarse grens om de afwerking van het hek net voor te zijn.

De regering wil het leger inschakelen

De regering van premier Viktor Orbán verklaarde woensdag te overwegen de grens te laten bewaken door het leger. Filó, kickboksfanaat, wil het heft in eigen handen nemen. Hij wil een burgerpatrouille oprichten om de ongewenste migranten weg te houden. De efficiëntste methode om dat te doen, is helaas niet toegestaan: „Schieten.”

Vijfentwintig kilometer verderop viert een ander grensdorp, Ásotthalom, een hoogmis van de Hongaarse cultuur: falunap of dorpsdag. In de hoofdstraat met net geschilderde huizen en keurig aangeplante bloempartijen is niets te merken van de vluchtelingen. Zij worden enkele kilometers verderop, in de bossen en velden bij de grens, opgepikt door mensensmokkelaars of gepakt door de politie en naar een tentenkamp in Röszke gebracht.

Hier klinkt louter operettemuziek. In een feesttent zitten mannen met snorren te dommelen, bierkroes in de hand. Kinderen in shirts met de Hongaarse driekleur voeren een springtouwdansje op. Niet op de tonen van een lokale evergreen, maar op Happy van Pharrell Williams.

De vluchtelingen die hier elke dag de grens oversteken, moeten worden opgevangen in Arabische landen, zegt burgemeester László Toroczkai (37), lid van de ultrarechtse Jobbik-partij. „Uit Oekraïne komen echte vluchtelingen. Ik zie mensen uit Bangladesh, India, Afrika. Ik denk niet dat zij echte vluchtelingen zijn.”

Toroczkai, een radicale nationalist die bij protesten in 2006 met blote bast de bestorming leidde van het gebouw van de publieke omroep in Boedapest, kwam als eerste met het voorstel om een muur te bouwen. „De regering neemt mijn ideeën over”, zegt hij. Dorpsgenoten zelf zamelden geld in om een nieuwe terreinwagen te kopen voor de 18 man tellende burgerwacht, die elke dag langs de grens patrouilleert om migranten te detecteren en de talrijke boerderijen in de buurt te bewaken. „Een Toyota Hilux. We moeten alleen ons embleem er nog op schilderen”, zegt burgerwacht Vince Szalma, een 57-jarige ex-bouwvakker met kaki shirt en camouflagebroek, terwijl hij ons in een oude Lada over hobbelige veldwegen langs de grens loodst. „Ásotthalom was een net dorp”, zegt Szalma. „De migranten stappen op de groenten en laten vuilnis en kleren achter. Het is ongelooflijk wat ze doen. Daar heb je er twee!”

Hij houdt abrupt stil bij twee jonge mannen met rugzakken. Ze deinzen achteruit. „Jullie moeten daarheen!” Szalma wijst naar de lange rechte weg. Daar patrouilleert de politie. „Only English”, antwoordt het tweetal.

Die ochtend alleen hebben ze al achttien mensensmokkelaars betrapt, zegt Szalma: „Allemaal zigeuners.” In zijn Lada ligt een gummiknuppel. Zelf mag hij geen aanhoudingen verrichten. Maar het gebeurt wel eens dat vluchtelingen of mensensmokkelaars de burgerwachten bedreigen, zegt hij.

Niet alle Hongaren zijn tegen migranten, zegt Mark Kékesi van Migszol, dat vluchtelingen opvangt op het plein voor het station van Szeged, de grootste stad in de buurt. Naast het fraaie fin-de-sièclegebouw staat hun kiosk: een houten kerstmarktstalletje, gekregen van de socialistische burgemeester. Ook de giften van gewone burgers zijn veel talrijker dan hij verwacht had: van voedsel en medicijnen tot kinderschoenen, knuffels en biologische zeepjes. Kékesi: „Zo’n tweehonderd mensen hebben zich al aangemeld als vrijwilliger, ook aanhangers van Orbáns Fidesz.”

Militanten weigerden ‘negerwater’

Religieuze groepen dragen eveneens gul bij, zegt hij. Behalve de rooms-katholieke kerk dan. Daar vind je wel individuen die vluchtelingen willen helpen, maar slechts op voorwaarde dat er geen ruchtbaarheid aan wordt gegeven „De bisschop is een goeie vriend van Orbán”, aldus Kékesi.

Enkele maanden geleden was immigratie geen groot thema in Hongarije. Maar nu „is het iets geworden wat de mensen compleet verdeelt”. Behalve als er iets te verdienen valt. Als een bus komt aanrijden, rennen taxichauffeurs erheen. „Ik had onlangs nog ruzie met een taxichauffeur die me verweet dat ik de vluchtelingen vertelde dat ze gratis op de trein konden. Hij vroeg hen namelijk geld om kaartjes te regelen”, vertelt Kékesi.

Enkele weken geleden kwamen zo’n veertig extreem-rechtse militanten langs om hem te intimideren. „Ze hadden zwarte uniformen aan terwijl het hier veertig graden was. Toen één van onze vrijwilligsters ze uit medelijden water aanbod, namen een tiental onder hen dat aan. Van anderen mochten ze dat ‘negerwater’ niet aannemen. Toen gingen ze onderling ruziemaken en zijn ze afgedropen.”

Vanavond gaat het er vredig aan toe. Bij de Migszol-kiosk staan twee jonge politiemannen boven een kop koffie te keuvelen met de vrijwilligers en een vluchtelinge met hoofddoek. Twintig minuten later zitten de vluchtelingen uit de bus al in de trein en wordt het weer stil op het plein. Ondanks alles lijkt Szeged zich steeds beter aan te passen aan de vluchtelingenstromen. Maar goed ook, zegt Kékesi. „Of we er nu op spuwen of schoppen: ze zullen niet meer weg gaan.”