Lagercrantz laat soms even zien wie de baas is

In het nieuwe Millenniumdeel staat geen woord van Stieg Larsson zelf. Lagercrantz gaat verder waar Larsson was gebleven, zonder nadrukkelijk een Larsson-kloon te zijn.

David Lagercrantz gisteren tijdens de lancering van het vierde deel van de Millennium-reeks, in een boekhandel in Stockholm. Foto Henrik Montgomery/AFP/TT News Agency

Geen woord in het vierde deel van de Millennium-reeks is geschreven door Stieg Larsson. De eerste vraag is of Wat ons niet zal doden op zichzelf een goede thriller is en het antwoord daarop is ‘ja’. De tweede of dit boek een authentieke, Larsson-achtige indruk wekt. Het antwoord daarop is ‘mwah’.

Mikael Blomkvist is onderzoeksjournalist bij het kritische tijdschrift Millennium en Lisbeth Salander, de eigenlijke heldin, is een gepiercete, punkachtige superhacker en parttime-psychopate die zo mishandeld is in haar jeugd dat we haar het excessieve geweld – altijd gericht tegen monsterlijke mensen – graag vergeven. Het paar strijdt gezamenlijk tegen onrecht en ze hebben een vreemde, afstandelijke band die zowel op vriendschap als liefde lijkt. Op de laatste door Larsson geschreven bladzijden belde hij bij haar aan terwijl zij in bad zat; ze deed open gehuld in een handdoek. Een slot dat ook een nieuw begin suggereerde.

Lagercrantz pakt de draad met aangenaam zelfvertrouwen op en probeert niet nadrukkelijk een Larsson-kloon te zijn. Hij speelt een beetje met de hem toevertrouwde karakters; in het begin overweegt Blomkvist zelfs de schrijvende journalistiek te verlaten en maar bij de tv te gaan werken, iets wat echt niet kan in het Millennium-universum – en ook niet gebeurt uiteindelijk. Je merkt dat Lagercrantz wil laten zien wie hier de baas is, maar ook dat hij vervolgens zorgvuldig met het erfgoed omspringt.

Het verhaal dat zich ontrolt is prima: een Zweedse expert in Kunstmatige Intelligentie keert terug uit de VS om zijn autistische zoontje te gaan opvoeden en uit de klauwen van de bedrijven en misdadigers te blijven die zijn wereldschokkende uitvinding hebben gestolen.

Lagercrantz laat Salander er lustig op los hacken om achter de daders van de diefstal te komen en betrekt Blomkvist op een andere, onderhoudende manier bij het verhaal. Dat ontrolt zich zeer des Larssons: veel hoofd- en bijfiguren, veel details, aandacht voor geweld tegen vrouwen, af en toe rommelig en met iets teveel complotten. Salander krijgt meer diepte: Lagercrantz schenkt haar een surrogaatzoon in de vorm van het autistische jongetje, in wie ze zichzelf herkent. We komen meer te weten over haar zus. Blomkvist blijft gewoon Blomkvist en dat is genoeg.

Dit vierde deel is niet beter of slechter dan de vorige drie delen – het is gewoon meer van hetzelfde. Wat bijvoorbeeld niet opschiet, is de relatie tussen Salander en Blomkvist. Die laat Lagercrantz te veel met rust. Op het einde belt zij ditmaal bij hem aan en laat hij haar binnen. Dat wekt weer de suggestie van een nieuw begin. De twee zijn niet echt verder gekomen en dat geeft het boek een zweem van ‘mwah’ en overbodigheid. De twee identieke eindes suggereren vooral een deel vijf.

3