Een techno- symfonie

Dj Jeff Mills heeft een missie: om elektronische muziek ook buiten de clubs een plek te geven. Vanavond treedt hij met het Noord Nederlands Orkest op in het Concertgebouw in Amsterdam.

foto nestor leivas

Als Jeff Mills (52) aan de telefoon hangt, hoor je dat je met een kunstenaar te maken hebt. Zijn stem is zacht en zangerig. Zijn antwoorden, weloverwogen en beeldend, rijgt hij als filmscènes aaneen. Was het leven een film, dan lijkt dat volgens Mills op Interstellar of The Truman Show, waarin Jim Carrey onder een koepel leeft en er gaandeweg achter komt dat de wereld zoveel groter is dan zijn eigen beperkte idee van ‘de realiteit’. „Wij leven in iets dat onderdeel is van een groter geheel, waarvan we niet zo veel weten”, zegt de sleutelfiguur uit de technoscene van Detroit. „Soms zijn er dingen die we niet kunnen verklaren – we krijgen enkel flitsen te zien. The light from the outside world.”

Dat is dan ook de titel van de ‘techno-symfonie’ die hij vanavond met het Noord Nederlands Orkest speelt in het Concertgebouw in Amsterdam. Het klinkt wat stijf voor iemand die ooit Underground Resistance begon, het revolutionaire en gemaskerde technocollectief dat techno met Afrikaanse drumpatronen wilde inzetten voor de emancipatie van de zwarte onderklasse in Detroit. Mills, die met Mike Banks en later Robert Hood begin jaren negentig hoorde tot de voorhoede van de golf producers uit de in verval geraakte ‘Motor City’.

Hij begon met dj’en als 21-jarig broekie op de lokale radio begin jaren tachtig. Daar mocht hij plaatjes opleggen, zes dagen per week, een paar minuten zendtijd per keer. Daarom bedacht hij om de platen in elkaar over te laten lopen – zo kon hij in korte tijd zo veel mogelijk nieuwe muziek de ether in slingeren in ‘de mix’. Noodgedwongen ontwikkelde hij de gave om sneller te mixen dan het licht, met meerdere draaitafels. Het leverde hem de bijnaam The Wizard op - de titel van zijn radioshow.

Draaien in het Louvre

En toch is de dj tegenwoordig bijna net zo vaak op de klassieke podia te vinden als op de gewone festivals. Tot juni was hij artist in residence in het Louvre in Parijs, zijn huidige woonplaats. Hij mocht voor vier nachten een avondprogramma bedenken voor het auditorium, dat film en dans verbond. „Ik heb een beetje moeten studeren”, geeft de dj toe als hij vertelt over Life To Death and Back, de dansvoorstelling die hij opnam en regisseerde in de Egyptische vleugel. De selectie van de dansers deed hij zelf, net als positionering en lichtontwerp. „Ik ging naar de boekwinkel en veel naar dansvoorstellingen. Toen heb ik een bevriende choreograaf gevraagd of hij die beelden wilde vertalen. Ik wilde dat de dansers ‘larger than life’ zouden zijn. De Egyptenaren waren heel erg bezig met het leven na de dood. Als de danser langer is, dan lijkt hij meer op een God.”

Van de club naar het museum en het Concertgebouw, dat is voor Mills niet zo’n bijzondere route. Eerder werkte hij al samen met het BBC Residential Orchestra en het Residentie Orkest in Eindhoven. The Light From the Outside World is een verzameling van zijn vroege werk. Componist Thomas Roussel vertaalde de hypersnelle machinemuziek in arrangementen voor percussie, blazers en strijkers. De elf nummers moeten je naar de de randen van de Melkweg teleporteren, waarachter, daar is Mills van overtuigd, ook leven te vinden is.

De overeenkomst tussen de vloeiende Detroit techno van Mills en klassieke muziek is evident. Zijn producties zijn snel en ritmisch, maar ook warm gelaagd, met gespiegelde melodielijnen die in de uitvoering door akoestische strijkers nog meeslepender zijn. Als je je ogen dicht doet in de donkere zaal kan je wakker worden in een tijdperk waarin de mens echt een ster bezit – onderwerp van het nummer ‘The Man Who Wanted Stars’, onderdeel van de symfonie.

Met een zender in hun oor die is aangesloten op de metronoom in zijn drumcomputer, houdt Mills de timing van de orkestleden strak. Mills neemt zelf „een aantal synthesizers mee”. „Ik kijk ter plekke altijd een beetje wat ik gebruik.”

Het is de eerste keer dat hij de compositie opvoert in Nederland – twee keer eerder deed hij een uitvoering met het Orchestre National d’Ile-de-France in Parijs. Hij maakte een playlist voor het optreden op muzieksite 22tracks, een verzameling van nummers die moet verduidelijken „hoe ik op dit punt ben uitgekomen”. Die ontwikkeling gaat van aanstekelijk son, Caraïbische dansmuziek, tot jazz van Thelonius Monk, pulserende minimal van Ryoji Ikeda en een samenwerking tussen hemzelf en pianist Mikhail Rudy, modern klassiek.

Veel van de nummers hebben titels die verwijzen naar sciencefiction of de toekomst. Dat is niet toevallig. Zijn liefde voor sciencefiction is een langdurige. De eerste nummers die hij maakte hebben al namen als ‘Mutant theory’, ‘Art / UFO’ en ‘Time Machine’. In 2000 maakte hij zijn eerste soundtrack voor de stomme film Metropolis, een SF-klassieker van Fritz Lang uit 1927. Twee jaar geleden begeleidde hij Woman in the Moon (1929), ook van Lang, in filmmuseum Eye. In 2013 bracht hij het album Where Light Ends uit, geïnspireerd door de eerste ruimtereis van de Japanse astronaut Mamoru Mohri in 1992. En dit jaar speelde hij in het Louvre de underscore bij de eveneens stomme sciencefictionfilm Wunder der Schöpfung (1925), bron van inspiratie voor Stanley Kubrick, regisseur en producent van 2001: A Space Odyssey.

Techno en dromen over de toekomst

Met zijn smalle gelaatstrekken, hoge jukbeenderen, grote amandelvormige ogen en ingevallen wangen heeft hij zelf wel iets van een alien. Waar komt die fascinatie vandaan? „Veel jongeren uit mijn omgeving waren bezig met stripboeken en sciencefiction toen ik opgroeide in de jaren zestig. Misschien heb ik het iets te lang doorgevoerd, haha.” En dan, serieuzer: „Je moet een beetje romantisch zijn om SF te begrijpen, het gaat over het dromen van de gewone man over de toekomst.”

Voor Mills was het een hele logische keuze om dromen over de toekomst met techno te verbinden. „Als ik draaide in Detroit zag ik duizenden mensen in het donker dansen voor grote geluidssystemen. Ik stelde me voor dat ze ergens heen willen gaan met de muziek, ze waren in transitie.”

Mills lijkt al jaren op een missie om elektronische muziek een plek te geven buiten de club. Deels omdat de tijd er rijp voor is, zegt Mills. „Soms voelt het alsof in de toekomst de lijnen tussen bepaalde kunstvormen zullen verdwijnen, tot het punt dat we niet eens meer onderscheid gaan maken tussen dans, cinema, film, techno of klassieke muziek. En ik geloof dat ik ook die richting opga.”

Het publiek staat ook meer open voor ‘nieuwe ervaringen’, zegt Mills. „De muziekindustrie is een chaos. Jonge mensen zijn niet meer gewend muziek te bezitten dus die gaan liever iets beleven. Aan albums verdien je niks. Festivals, evenementen, die verkopen nog wel uit. Elke dj die ik ken, werkt zich een slag in de rondte. Iets nieuws, iets anders bedenken dat een jong publiek trekt, is een geweldig idee.”

Het is volgens Mills ook nodig. „Dance is alleen nog maar voor dancing, niet meer sociaal of politiek. Als wij jonge producers kunnen overtuigen dat ze heel vrij alles kunnen onderzoeken wat ze willen in het midden van al het geweld dat EDM tegenwoordig is, dan blijft elektronische muziek relevant. Techno is daar perfect voor: die heeft geen last van taalbarrières. Die spreidt zich onvoorwaardelijk uit.”