De staat moet in beroep gaan tegen vonnis over CO2-doelen

De civiele rechter in Den Haag deed in juni een opmerkelijke en gewaagde uitspraak. Hij wees de eis van de actiegroep Urgenda toe dat de staat meer actie onderneemt tegen de opwarming van de aarde en de uitstoot van broeikasgassen. Meer nog dan wát de rechter vonniste is opmerkelijk dát hij vonniste. Dat hij zichzelf bevoegd achtte tot een dergelijk, op zichzelf verstandig oordeel te komen. Het riep de vraag op: is deze rechter niet op de stoel gaan zitten die toebehoort aan de politiek, het kabinet, de parlementaire meerderheid?

Dezer dagen besluit de verliezende partij of zij tegen de uitspraak in beroep zal gaan. Het kabinet beraadt zich. Het is daarbij wenselijk dat het zich niet laat leiden door overwegingen of de rechter al dan niet gelijk heeft met zijn oordeel dat het milieubeleid van de regering tekortschiet. Met andere woorden, deze kwestie moet niet worden verengd: dat wie het inhoudelijk eens is met rechter, tegen hoger beroep is en omgekeerd.

Het gaat hier om de principiële vraag hoever de bevoegdheid reikt van de rechter om de staat te corrigeren. Vanzelfsprekend is ook de overheid gebonden aan de wet en andere juridische verplichtingen. De rechter is er ook om zonodig de burger tegen de staat te beschermen. Dat in politiek Den Haag stemmen opgaan om deze bevoegdheid van de rechter aan banden te leggen, stemt treurig.

Maar ook bij het omgekeerde zijn vraagtekens te plaatsen. De rechter meent dat het kabinet gehouden is de verwachtingen die het voor zijn milieubeleid heeft gewekt, waar te maken en in internationaal verband gemaakte afspraken na te komen. In concreto: dat het meer moet doen om de doelstellingen die gelden voor vermindering van de uitstoot van bijvoorbeeld CO2 te realiseren.

Maar kan de rechter verwachtingen ook als verplichtingen opleggen? Terwijl een parlementaire en democratisch gekozen meerderheid er wellicht anders over denkt? Bedenk dat een keuze voor het door de rechter voorgeschreven beleid ook op andere terreinen gevolgen heeft. Het heeft invloed: op de energietarieven en zelfs de algemene economische ontwikkeling. Moet de rechter het kabinet dan ook houden aan de afspraak in NAVO-verband om 2 procent van het bbp aan defensie uit te geven? Dat doet Nederland al meer dan twintig jaar niet. Ten koste waarvan moet zo’n verhoging gaan? Allemaal politieke keuzes, met de nadruk op politieke.

Het gaat hierbij om de rolverdeling in de trias politica. Die is niet in beton gegoten, maar verdient wel helderheid. De scheiding der machten is gebaat bij duidelijke grenzen. Het kabinet-Rutte doet er verstandig aan om het oordeel niet aan één rechter over te laten, maar in beroep te gaan, desnoods tot aan de Hoge Raad.