‘We houden van steeds oudere muziek’

Morgen begint in Utrecht het Festival Oude Muziek, internationaal een topfestival. Met ‘nieuwe’ oude muziek: Tallis Scholars-dirigent Peter Phillips: ,,We kennen maar een fractie van alle geniale renaissance muziek.”

Peter Phillips dirigeert The Tallis Scholars in de kerk St. Mary the Virgin in New York. Foto Brian Harkin for The New York Times/HH

Blinddoeken, bondagezweepjes. Achtergrondmuziek: Thomas Tallis’ 40-stemmig motet Spem in alium (ca. 1570) in de legendarische uitvoering door de Tallis Scholars onder Peter Phillips. Het boek en de verfilming van E.L. James Fifty shades of grey zorgden er drie jaar geleden voor dat oude muziek opeens ‘hot’ was, en zelfs de cd-hitlijsten aanvoerde.

Het kamerkoor The Tallis Scholars speelt sinds de oprichting in 1973 in de eredivisie van de oude muziek. Dat kunnen maar weinig ensembles zeggen: alleen het Vlaamse Huelgas Ensemble (anno 1971) kan prat gaan op eenzelfde anciënniteit en kwaliteit. In de slipstream daarvan zijn de wapenfeiten van The Tallis Scholars imposant: nog altijd geeft het ensemble jaarlijks rond de tachtig concerten op alle continenten en er verschenen al ruim zestig cd’s op – trendsettend – het onafhankelijke eigen label Gimell Records. De opnames zijn beroemd op de fijnzinnige geluidkwaliteit van vaste producent Steve Smith, maar oprichter/dirigent Peter Phillips vindt die fijnzinnigheid vanzelfsprekend. „De cd’s moeten net zo goed klinken als wij in het echt. Het geluid van stemmen is uiterst fragiel. Dat moet je dus niet laten platwalsen door MP3, maar laten stralen door cutting edge opnametechniek.”

Als student hoorde Phillips in 1972 de Clerkes of Oxenford zingen; een nu vergeten ensemble dat gespecialiseerd was in vocale renaissancemuziek. (luister via nrch.nl/4hmd ) Phillips: „Dat repertoire werd destijds, als het al werd uitgevoerd, gezongen door grote koren met een ruim vibrato. De Clerkes zongen helder, jeugdig, flexibel en verleidelijk. Een openbaring, vond ik het.”

Op die basis gingen de Tallis Scholars verder. Van een studentengroep groeiden ze uit tot een internationale onderneming - onafhankelijk van subsidie. „Geldzorgen speelden al-tijd een rol”, zegt Phillips. „Ik kan oprecht jaloers zijn op het Huelgas, dat zich dankzij subsidie artistieke risico’s kan permitteren die wij mijden. Zoals onbekende, écht obscure Spaanse renaissancemuziek uitvoeren – met kans op lege zalen.”

Toen de Tallis Scholars begonnen, waren ze zo goed als uniek. Als ze nu een cd uitbrengen met kerkmuziek uit de tijd van de Tudor-dynastie (1485-1603), concurreert die met opnames door talrijke andere ensembles. Maar die ontwikkeling is juist productief, denkt Phillips. „Er is meer concurrentie, maar ons publiek is daardoor juist vergroot. Meer aanbod leidt tot meer meer belangstelling. Het is een opwaartse spiraal. De smaak voor klassieke muziek schuift steeds verder op richting het verleden: van Beethoven ging het naar Bach en nu nog verder terug. Cijfers tonen dat aan; de belangstelling voor oude muziek neemt toe. Alleen verdient niemand eraan, want de marges op cd’s zijn vrijwel nihil en veel gaat over gratis kanalen als YouTube. Vroeger betaalden cd’s onze concerten. Nu is het omgekeerd. Dat we doorgaan met opnemen is een soort idealisme. Je wilt toch een klinkende nalatenschap opbouwen.”

Wie oude opnames van The Tallis Scholars beluistert, merkt dat het ensemble met de jaren beter werd - de klank helderder, strakker, groter. „Noodzaak”, duidt Phillips. „Zingen voor zalen met 3000 man publiek red je het niet met een ‘kleine’ manier van zingen. Maar de ontwikkeling die wij doormaakten, is niet uniek. Vrijwel alle Europese ensembles zijn de afgelopen vijfentwintig jaar beter en kernachtiger gaan zingen, zonder het heil te zoeken in vibrato of schreeuwen. Het probleem was lang dat conservatoria een andere, in de romantische operatraditie gewortelde stijl van zingen doceerden. In West-Europa is de meer historische geïnformeerde manier van zingen nu vanzelfsprekend, met Nederland en Groot-Brittannië in de voorhoede. Maar in de VS is dat stijlbewustzijn nog helemaal niet vanzelfsprekend.”

En dan nóg, nuanceert Phillips, niemand weet natuurlijk wat ‘authentiek’ is. „In geen enkel traktaat ben ik ooit iets bruikbaars tegengekomen over de manier van zingen in de renaissance. Je weet het gewoon niet. Maar dat maakt het fascinerend om verschillende ideeën te beluisteren. Om het Huelgas Ensemble weer als voorbeeld te nemen: dat streeft naar een ultieme mengklank door subtiel, ietwat ingehouden te zingen. Wij doen het tegenovergestelde: wij zingen vrijuit en juist krachtig.”

Niet toevallig zag Phillips er de afgelopen jaren bij een vrijwel volledige verjongingsslag op toe dat zijn ensemble volledig Brits van samenstelling bleef. „Eh... dit wordt een politiek incorrecte quote”, lacht hij. „Maar vooruit: ik denk zelf dat je een ensemble als het onze goed kunt vergelijken het met een elite legereenheid. Die zijn ook vaak monocultureel van samenstelling, omdat discipline en vertrouwen gebaat zijn bij hechtheid binnen de groep. Wat meespeelt is dat Britse zangers nog steeds ongeëvenaard zijn in de snelheid waarmee ze van blad kunnen zingen. Als je vanaf je achtste jaar elke dag een dienst zingt naast iemand die net wat beter is, kun je op je twaalfde écht al heel wat. Zingen wordt een vaardigheid die onder je huid kruipt, en dat werkt weer door in het zelfvertrouwen. Daarom kunnen Britten ook toe met weinig repetities. Jullie Europeanen repeteren meer, soms zelfs te veel, waardoor de meerwaarde wegebt in zenuwen voor een concert.”

Over de toekomst van de oude vocale muziek is Phillips optimistisch. „Er is nog zo veel te ontdekken! Van veel renaissancecomponisten zijn in de jaren vijftig wel keurige complete edities gemaakt, maar dat was een revolutie op papier; het repertoire werd nooit uitgevoerd. Jean Mouton? Heinrich Isaac? Van alle muziek door de driehonderd polyfonisten in de muziekencyclopedie New Grove, wordt maar een miniem deel uitgevoerd.”