Onze regering moet nog leren de zee te vrezen

Wacht niet met CO2-reductie tot Nederland ondergelopen is, betoogt Herman Philipse.

Op het Nationale SAIL Debat verklaarde premier Rutte dat ondernemend Nederland terug moet naar de sfeer van de Gouden Eeuw. We dienen economische groeimogelijkheden met meer ambitie te benutten. Door onze ervaring met dijkbouw zijn we bijvoorbeeld het beste land „in het managen van de zeespiegelstijging”.

De vraag is evenwel hoe lang Nederland nog in staat is de zeespiegelstijging te ‘managen’. Een land kan slechts iets presteren zolang het blijft bestaan. Recent onderzoek van James Hansen e.a. (2015) maakt aannemelijk dat de zeespiegel ten gevolge van de menselijke uitstoot van broeikasgassen en de resulterende opwarming aanzienlijk sneller zal stijgen dan aangegeven in het vijfde Assessment Report van het VN-klimaatpanel IPCC van 2013-14. Op welke termijn zal deze stijging van de zeespiegel het bestaan van Nederland gaan bedreigen?

Ter herinnering enige achtergrondinformatie. Het huidige CO2-gehalte in de lage atmosfeer van gemiddeld zo’n 400 ppm is aanzienlijk hoger dan het was in de 800.000 jaar voorafgaand aan 1850, toen het nooit uitkwam boven de 300 ppm. Deze stijging is grotendeels veroorzaakt door menselijke activiteiten, zoals het opstoken van fossiele brandstoffen. De toename van het CO2-gehalte is de voornaamste oorzaak van de gemiddelde temperatuurstijging van bijna 1 graad Celsius sinds 1880. Eenmaal uitgestoten CO2 hoopt zich op in de aardse atmosfeer en oceanen, zodat het opstoken van fossiele brandstoffen gevolgen heeft gedurende honderden jaren.

Wanneer niets wordt gedaan om uitstoot te verminderen, zal deze blijven toenemen door bevolkingsgroei en economische vooruitgang. Op grond van klimaatscenario’s wordt verwacht dat de gemiddelde temperatuur dan in 2100 tussen de 2,5 en 7,8 graden gestegen is ten opzichte van 1850-1900 (IPCC Synthesis Report 2014). Ter vergelijking: de gemiddelde temperatuur tijdens de laatste ijstijd was slechts zo’n 5-6 graden lager dan nu. Kleine gemiddelde temperatuurverschillen kunnen dus een totaal andere toestand op aarde veroorzaken. Een verhoging van gemiddeld 4°C zal de aarde grotendeels onbewoonbaar maken voor mensen.

Daarom werd tijdens de mislukte klimaatconferentie te Kopenhagen in 2009 afgesproken dat we de opwarming moeten beperken tot maximaal 2°C. Om onder deze bovengrens te blijven, moet men nu beginnen met drastische beperking van de uitstoot van broeikasgassen. Zonder zo’n krachtige reductie wordt de 2°C-grens rond 2035 bereikt. We moeten nu twee vragen stellen. Ten eerste: hoe waarschijnlijk is het dat de mensheid erin slaagt beneden de grens van 2°C opwarming te blijven? Gaat het lukken een wereldwijd systeem van bronbelasting of emissiehandel op te zetten, dat zelfs landen zoals Rusland ertoe zal brengen 4/5 van hun voorraden aan fossiele brandstoffen in de grond te laten zitten? Laat ik deze vraag bewaren voor een ander artikel. Ten tweede: is de bovengrens van 2°C laag genoeg? Wat zal een opwarming van 2°C betekenen voor de verhoging van het zeeniveau?

Hier is het onderzoek van Hansen van belang. Toen hij nog aan het hoofd stond van een NASA-instituut voor ruimteonderzoek, concludeerde hij in 2011 op grond van geologische en fauna-gegevens dat in tijden waarin het gemiddeld 2°C warmer was dan in 1850-1900, zoals tijdens het Eemien (het laatste interglaciaal in het Pleistoceen), het gemiddelde zeeniveau ongeveer 25 meter hoger was dan tegenwoordig. Een voorzichtiger schatting is 5-9 meter. Behalve de uitzetting van zeewater onder hogere temperaturen zou vooral minder landijs op Groenland en Antarctica de oorzaak zijn geweest.

Nieuw onderzoek van Hansen e.a. naar smeltend landijs op Antarctica (juli 2015) laat zien dat het smelten van ijs door opwarming geen lineair proces is. Integendeel: het kan versneld worden op tijdsschalen van decennia door versterkende terugkoppel-mechanismen. De auteurs concluderen dat een gemiddelde temperatuurverhoging van 2°C „highly dangerous” is, zodat de mensheid de uitstoot van broeikasgassen nog veel sterker moet reduceren dan aanbevolen in het laatste IPCC-rapport: „there is no morally defensible excuse to delay phase-out fossil fuel emissions as rapidly as possible”; “the matter is urgent and calls for emergency cooperation between nations.”

De regering-Rutte lijkt verlegen te zitten om nieuwe ambities. Hier is er één, die nog urgenter is dan het vonnis in de zaak-Urgenda laat zien. Grotendeels voorkomen van zeespiegelstijging is nog belangrijker dan aanpassing door dijkbouw. Daartoe moet bij de komende klimaatonderhandelingen in Parijs in december een wereldwijd verdrag worden gesloten dat de menselijke CO2-uitstoot vanaf nu reduceert met minstens 6 procent per jaar.

Laat onze regering alles doen om dit voor elkaar te krijgen, zodat ons laaggelegen land ook rond 2100 nog zal bestaan.