‘Nooit voel ik me helemaal rustig’

De cabaretier maakte opnieuw een uitstekend muziekalbum. Dit keer met Nederlandse teksten. „Ik bewijs dat het Nederlands kan swingen.”

Hans Teeuwen & The Painkillers: Ruben Hein (links), Jesse van Ruller, Joost Kroon, Kasper Kalf en Benjamin Herman.

Hans Teeuwen is terug. Alweer. Sinds 2004 waagde hij zich, na vijf succesvolle cabaretprogramma’s, aan jazz zingen, acteren, films regisseren, Engelstalige comedy en het schrijven van het scenario van een (nog te realiseren) tv-serie. Zijn laatste cabaretprogramma dateert al weer van 2011. Nu verrast hij met een Nederlandstalig popalbum, zijn eerste. Popstukken maakte hij met The Painkillers, de jazzcats met wie hij eerder twee Engelstalige albums maakte. Teeuwen: „Er wordt vaak gezegd dat de Nederlandse taal zich niet leent om in te swingen. Ik wilde bewijzen dat het wel kon.”

Swingen begint niet met de muziek, maar met hoe je de tekst benadert, zegt Teeuwen. „De Nederlandse kleinkunst spiegelt zich aan de Duitse en Franse cultuur, het chanson en het Brecht-lied, waardoor kleinkunstliedjes altijd een verhaaltje of bedoeling hebben en nooit swingen. Het Nederlands kan wel swingen, maar dat hoor je zelden. Ja, bij The Ramblers: „Wie is Loesje, wie is toch dat snoesje.” Maar dat is dan weer tuttige dixieland. Het leek me een mooi experiment om te proberen jazzy, bluesy muziek en Nederlandse tekst te combineren.”

Dat experiment is geslaagd. Popstukken is een heerlijke popplaat, die moeiteloos het gros van de Nederlandstalige cabaret en pop in de schaduw stelt. Het album bevat een handvol catchy uptempo songs met lekkere regels die er om smeken meegezongen te worden. Zoals de xingels Doe het nou en Poppendokter Bob, het serieuzere Slaaf als je bidt, het gejaagde Trek eens even aan mijn rem en het zomerse Zonder jas, dat naar reggae neigt. Verder bevat het veertien nummers tellende album onder meer nog twee cabareteske liedjes die al in Spiksplinter (de show uit 2011) te horen waren en drie instrumentale tracks.

Voor iemand die grenzen verlegde met zijn manische, onberekenbare voordracht en soms angstaanjagend abrupte afwisseling van normaliteit en gekte, zingt Teeuwen relatief onderkoeld. Hij knijpt en teemt wel, maar pas als je hem erbij ziet, in de twee videoclips, komt de gekte van cabaretier Teeuwen goed door.

Dat hij niet getemd is, blijkt als tijdens het interview de serveerster tussendoor komt en er een flits van de vroegere bad boy zichtbaar is. Als hij zich voorstelt als ‘Hans’ lacht zij dat ze dat wel weet. Als ze weg is, rolt Teeuwen zijn mouw op en maakt triomfantelijk een fistfuck gebaar in de lucht: „Woppakee”. Even snel schakelt hij weer terug. „Wat ik op het podium doe, ligt toch dicht bij mijn persoonlijkheid”, zegt hij.

In de clip van Doe het nou is zichtbaar de maniakale cabaretier aan het werk. Teeuwen zingt recht in camera, met ontblote tanden en Russische soldatenpet op. Voor het komisch effect? Teeuwen: „Of dat komisch is, weet ik niet. Het moet interessant zijn om naar te kijken. Als mijn concentratie goed is, dan is dat wederkerig voor wie er naar kijkt. Die blijft dan geboeid.” In de clip van Poppendokter Bob draagt hij een malle bontjas en zwarte bolhoed. „Die toevallig in de studio hingen. Bleken me ongelofelijk goed te staan.” Hij lacht. „God, wat stond me dat goed.”

Poppendokter Bob is op klank geschreven, zegt Teeuwen. In dat nummer verrijkt hij het Nederlands liedrepertoire met nonsensicale poëtische regels als: „Poppendokter Bob is op en top een poppendokter. Hij is leuker dan ik en hij is leuker dan jij. En beter dan professor Barabas en Maja de Bij. Beter dan de paashaas, Sinterklaas.” Om de woorden heen kreunt en steunt Teeuwen als een Frans zuchtmeisje. „Het belangrijkste is dat de regels lekker lopen, dat de klank door rolt. Daar leent het Nederlands zich eigenlijk uitstekend voor. Annie M.G. Schmidt schreef al veel van dat soort swingende zinnetjes. Zo’n Dikkertje Dap, dat is toch heerlijk? Dat kun je gewoon rappen. Alleen zit er onder haar teksten geen beat, maar muziek van Harry Bannink. Niks tegen Harry Bannink, maar dat is toch wat anders dan Ice Cube.”

Zelf komen Teeuwen en The Painkillers tot een verzorgde groove, met een hoofdrol voor de kwistig inkleurende sax van Benjamin Herman. Maar hun geluid blijft nog ver van de vernieuwende klank die hiphopgroepen als De Jeugd van Tegenwoordig de Nederlandstalige muziek brachten, met hun taalkronkels en elektronische beats. Teeuwen: „Die elektronische beats heb ik niet. Maar hun benadering heeft me wel in zoverre geïnspireerd dat je de Nederlandse taal cool kan laten klinken.”

Er is één nummer dat er op de cd uitspringt doordat het een opvatting verkondigt: Slaaf als je bidt. Teeuwen: „Ja, dat is een fijne, provocerende regel.” En dat kan hij onderbouwen, voegt hij er grijnzend aan toe: „Als je met je ogen dicht gaat slijmen bij een onzichtbaar opperwezen om bij hem in de gunst te komen, wat ben je dan anders dan een slaaf? Hij is alles en jij bent helemaal niks. Niets van wat hij doet, mag je in twijfel trekken. Wat is dat anders dan een meester-slaafverhouding?”

Het lied begint met de woorden „Huilen, huilen, jengelen, naar complimentjes hengelen. Het kopje laten bengelen, dom.” Dat gaat ook over hemzelf, zegt Teeuwen. „Ik zing over de kunstenaar die slaaf is van het succes en die bereid is offers te brengen. Die baalt dat hij niet kan ontsnappen aan zijn eigen narcisme. Als je niet uitkijkt ga je slechte dingen maken, omdat je zo’n behoefte hebt geprezen te worden.”

Soms schrijft hij een regel die oprecht of autobiografisch is. „Dat is prima, maar oprechtheid moet geen gevangenis worden. Wat daarna komt hoeft niet ook waar te zijn. Daarna ga je gewoon een zo goed mogelijk lied maken.”

De autobiografische regels verraden zichzelf op Popstukken. In meerdere nummers zingt Teeuwen over stress, angst en onstuitbare gedachten. Teeuwen: „Ik kan mijn gedachten niet stopzetten. Ik kan er alleen maar naar kijken. Een paar keer in mijn leven heb ik drugservaringen gehad waarbij ik me echt helemaal rustig voelde, echt helemaal niks meer hoefde en rustig naar iemand kon luisteren.” Alleen als Hans Teeuwen zoiets zegt, met op verdraaide toon uitgesproken ‘luisteren’, moet je er hard om lachen. Hij lacht mee.

Teeuwen: „De rest van de tijd voel ik alleen maar de frustratie dat ik niet meer in die staat van zen terecht kan komen. Terwijl ik dat de hele tijd graag wil en van alles probeer. Zelfs met diezelfde drugs lukt het niet meer. Een paar van de liedjes gaan daarover.”

Na de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo maakte Teeuwen enkele korte internetfilmpjes. Op de eerste, een quasi-zelfmoordtape, maakte hij een overspannen indruk. Teeuwen: „Nou, ik voelde me ook helemaal niet goed, maar ik vond dat ik iets moest doen.” De parallel tussen de aanslag en de moord op zijn vriend Theo van Gogh speelde daarbij een rol, zegt hij. „Ik dreigde weg te zakken in een depressie. Dus ik nam een trekje van een joint en ging iets bedenken. In een roes heb ik dat filmpje gemaakt, al improviserend. Toen ik het terugkeek, dacht ik: Ja, het is slordig, maar wel leuk, toch wel goed genoeg.”

Die video’s wekten de indruk dat Teeuwen weer zin had in satire. En dat klopt. Een Britse promotor belde hem onlangs met de vraag of hij niet weer wilde komen optreden in Londen en Teeuwen wil wel. In Groot-Brittannië, waar hij tussen 2007 en 2010 optrad, zijn ze nog altijd niet over Teeuwen uitgepraat. In een beschouwing in The Guardian half augustus stond hij op een kort lijstje ‘game-changers’ in comedy. Hij gaat ook zeker weer in Nederland optreden. „Ik heb nooit gezegd: dit is mijn laatste show. Ik heb wel zin om nieuw materiaal te maken. Wanneer precies weet ik niet, maar heel lang gaat dat niet mer duren.”