Je mag poëzie best slecht vinden

Hoe lees je een gedicht? Ellen Deckwitz geeft iedere donderdag een cursus in nrc.next. Vandaag: vier manieren om op poëzie te reageren..

Illustratie Jenna Arts Illustratie Jenna Arts

Iemand zei laatst: „Eigenlijk is alle poëzie mooi.” Ik gaf hem meteen een klap. Natuurlijk is niet alle poëzie mooi. Wie vindt van wel is niet tolerant, maar onverschillig. Er bestaan stapels afschuwelijke gedichten. In The Hitchhikers’ Guide to the Galaxy wordt slechte poëzie zelfs ingezet als massavernietigingswapen. Ze veroorzaakt inwendige bloedingen en inderdaad, als je de gedichten van Harold Pinter leest, voel je soms een orgaan knappen van ellende.

Hoe herken je een Slecht Gedicht? Echt zwakke poëzie heeft veel kenmerken gemeen met slechte songteksten: geforceerd rijm (schepen vergaan-liefde bestaan), clichés, te vage beelden, te veel herhaling, dooddoeners. Er worden dingen verteld in plaats van getoond: er staat ‘ik wou dat je hier was’ terwijl er beter ‘maak van dit veel te grote bed/ een heel klein fort van dons’ (Bart Moeyaert, ‘Siberië’) had kunnen staan. Door iets als een gedicht te presenteren denkt de schrijver dat zijn inhoud belangrijker wordt. Maar juist het omgekeerde is het geval: als je een tekst presenteert als gedicht, telt el-ke regel. Het is een gedicht, omdat de inhoud kwalitatief hoogstaand is, en niet andersom. Helaas is de poëzie geen beschermd genre, net zoals er nogal wat idioten rondlopen die zich zonder enige kwalificatie psycholoog of, nog erger, filosoof mogen noemen.

Gelukkig zijn Slechte Gedichten allesbehalve zinloos. Je gaat niet-slechte gedichten erdoor waarderen. Bovendien kan mismaakte poëzie, net zoals lelijke baby’s dat kunnen, je enorm vrolijk maken. Dichter Willem Kloos schreef dat hij tijdens het lezen van mislukte literatuur ‘op den grond stampte van den intense lol’ en ja, zo voelt het soms ook als een gedicht de plank misslaat. Ik kwam laatst de dichtregel ‘ik voel mijn binnenste branden’ tegen en barstte in lachen uit. Ik zag een agressieve, gemuteerde vorm van chlamydia voor me. Toen ik las dat de dichter in kwestie het als een liefdesgedicht had bedoeld, moest ik al helemaal aan de beademing.

Na het lezen van een gedicht zijn er grofweg vier reacties mogelijk: 1. We vinden het geweldig, mooi, schrijnend. Het raakt ons, ook al kunnen we niet onderbouwen waarom. 2. We vinden het afgezaagd, slordig of betuttelend omdat het overtollig rijm/clichés/een ontspoord ritme/tegelwijsheden bevat. 3. Je vindt het niet afgezaagd, ziet dat het origineel en/of doordacht is, je snapt wat de bedoeling is, maar het doet je geen klap. 4. Je snapt er geen jota van.

Op basis daarvan valt poëzie te verdelen in vier categorieën: 1: een goed gedicht; 2: een cliché gedicht; 3: een onaansprekend gedicht; 4: een onbegrijpelijk gedicht. Een gedicht is dan niet zomaar Slecht, maar slecht omdat het niet origineel is of slecht omdat het nergens op slaat. Hierdoor merk je scherper hoe persoonlijk een oordeel over poëzie is, en ook hoe dat met de jaren kan veranderen. Wat ik in 1989 poëzie 3 vond, vind ik nu opeens poëzie 1. Wat Pieter Boskma poëzie 4 vindt, is voor professor Dorleijn misschien wel poëzie 2. Net zoals je als kind de film Terminator 2: Judgement Day gewoon gaaf vond, als student Cultuurwetenschap een afgezaagde actierolprent en later als volwassene een prachtige vertelling over het lot.

Poëzie waarderen en aanvoelen bestaat bij gratie van veel lezen, en wat je daarnaast óver poëzie leest. Dankzij wat Herman de Coninck, Simon Vestdijk en Ilja Leonard Pfeijffer over poëzie hebben geschreven, heb ik geleerd om de schoonheid van bepaalde gedichten te zien. En soms hebben ze me ervan overtuigd dat andere gedichten vooral gebakken lucht zijn. Dankzij de essays van T.S. Eliot leerde ik dat een gedicht onbegrijpelijk en tegelijkertijd goed kan zijn. T.S. Eliot zei dat échte poëzie iets communiceert, nog voor je het begrijpt. Iets kan poëzie 1 zijn, terwijl je echt niet kan beargumenteren waarom. En dat hoeft ook niet (tenzij je een mondeling Nederlands hebt of in de Turing-jury zit).

Er zijn nou eenmaal gedichten waarvan je op het eerste gezicht niets begrijpt, maar die je toch meteen raken, terwijl je jaren later pas ontdekt waarom, zoals ik had met het gedicht ‘Mijn broer’ van Hendrik de Vries: ‘Mijn broer, gij leedt / Een einde, waar geen mens van weet. / Vaak ligt gij naast mij, en ik /Begrijp het slecht, en tast en schrik.’ Of neem het gedicht van Jila Mossaed hiernaast. In mijn omgeving zijn er evenveel mensen die het poëzie 1 vinden, als poëzie 3. Een enkeling vindt het poëzie 2 en getuige de glazige blik van sommige vrienden aan wie ik het gedicht liet lezen, durf ik te stellen dat er ook mensen bestaan die het poëzie 4 zouden vinden.

Want: beginnen met poëzie is een smaak ontwikkelen. Daarvoor moet je ook jezelf toestaan om een gedicht slecht te vinden. Als je jaren later opeens ontdekt dat er toch wel iets in zat: prima. Geen man overboord. In de roman Het rood en het zwart van Stendhal zit op een gegeven moment een fantastisch personage dat, telkens als hij de deur achter zich dichtslaat, schreeuwt dat hij het recht heeft om inconsistent te zijn. Wij mogen allen inconsistent zijn, vooral als het om poëzie gaat, want dat is een kunst die bestaat bij gratie van het oefenen van inconsistent zijn. Sla die deur maar dicht. Hij kan altijd weer open.