Couperus: hoe blank botst met niet-blank

De romans van Louis Couperus lenen zich zo goed voor toneel dat hij tot de canon van de Nederlandse toneelliteratuur kan worden gerekend. In september brengen Ivo van Hove en Ger Thijs beiden Couperus op toneel

Halina Reijn als Leonie van Oudijck enJip van den Dool als haar stiefzoon Theo in de toneelversie van de Indische roman ‘De stille kracht’ van Louis Couperus. Foto Jan Versweyveld

Nee, romancier Louis Couperus wilde helemaal geen toneelschrijver worden. Hij moest er niet aan denken dat regisseurs zijn personages gaan „bedillen”. Op een dag meldde een jonge theaterdirecteur zich bij de beroemde Haagse schrijver van romans als Eline Vere, De stille kracht, en De boeken der kleine zielen met het voorstel dat Couperus de romankunst moest laten voor wat die was. Toneel schrijven, dat was de toekomst. Minzaam antwoordde Couperus dat hij als schrijver zo „heerlijk Onze-Lieve-Heertje had gespeeld” over zijn karakters en dat hij altijd zijn „eigen regisseur” was geweest. Daar had hij geen theaterman van buitenaf voor nodig.

Ondanks die afkeer van toneel is Couperus (1863-1923) nu een van de meest gespeelde toneelschrijvers uit het Nederlandse theater. Dit seizoen zelfs met twee voorstellingen. De stille kracht (1900) in de regie van Ivo van Hove bij Toneelgroep Amsterdam en Eline Vere (1889) door Ger Thijs bij Hummelinck Stuurman. Moeiteloos verovert deze romanschrijver het theaterpodium. Ook de romans Noodlot, Langs lijnen van geleidelijkheid en Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan vonden al hun weg naar de schouwburg.

Afgezien van het sprookje De schoone slaapster in het bosch (1886) en een enkele vertaling heeft Couperus zich nooit aan toneel gewaagd. „Toch is Couperus als toneelschrijver ongeëvenaard”, zegt regisseur en Couperus-bewerker Ger Thijs. „Romans als De stille kracht en De boeken der kleine zielen zijn eminent drama.” Thijs komt de eer toe in 1994, met de toneelversie van De kleine zielen, de theaterman in Couperus ontdekt te hebben.

Regisseur Ivo van Hove, die eind september met Toneelgroep Amsterdam De stille kracht op toneel brengt, „koestert” dat boek al jarenlang, zegt hij. Maar nu acht hij opvoering ervan noodzakelijker dan ooit: „Het is een visionair boek over de clash tussen twee culturen, de oosterse en westerse wereld in het voormalige Nederlands-Indië. Die twee beschavingen staan onverzoenlijk tegenover elkaar en de westerling is ternauwernood in staat zich in het oosterse leefpatroon te handhaven. Kijk maar naar de beroemdste scène uit de roman: de overspelige blanke vrouw Leonie wordt bespuwd met bloedrode druppels. Die schokkende badkamerscène toont het failliet van de westerse beschaving en overheersing.”

Couperus denkt in scènes, als een toneelschrijver, zeggen Van Hove en Thijs. Zijn dialogen zijn sterk, hij manoeuvreert zijn personages in dramatische conflicten, waarin zij lijnrecht tegenover elkaar staan. Volgens Van Hove hebben de tv-series uit de jaren zeventig van Couperus een „zwierige kostuumschrijver” gemaakt en het is zaak hem „uit die verpakking te halen”. Van Hove: „Ik wil dat mijn voorstellingen gaan over mensen van nu, over thema’s van nu. Net als in Couperus’ tijd beschouwt de westerse mens zich superieur. Asielzoekers worden aan de grenzen geweerd of moeten vragenlijsten invullen die bewijzen dat zij onze westerse waarden kennen en aanvaarden. Dat leidt onherroepelijk tot conflicten. Maar toneel is niet het genre om te oordelen; het moet vragen stellen. De kolonisatie is ook diffuus: Nederlanders waren in de loop van de koloniale geschiedenis uit op winstbejag, en tegelijk vervuld van idealisme om het volk te verheffen. Onze voorstelling is in zekere zin amoreel: we tonen de inheemse natuurkrachten die de westerse beschaving ondermijnen. Het boeit me mateloos hoe blank botst met niet-blank en welke tragiek daaruit voortvloeit.”

Toneelbewerker Peter Van Kraaij heeft in samenwerking met Van Hove die clash tussen culturen benadrukt. Net als Van Hove is hij van Vlaamse afkomst. „Indonesië speelt in de Belgische geschiedenis geen enkele rol. Wij hebben Congo. Wat ons opvalt is dat Nederland nog altijd heel besmuikt doet over het koloniale verleden, het lukt de Nederlander maar niet daar eerlijk over te zijn. Met deze bewerking willen we die geheimzinnigdoenerij door Nederland openbreken. In de roman zijn er meerdere ‘stille krachten’ aan het werk die de westerling vernietigen, zoals het groeiende vrijheidsstreven van de bevolking. De kolonisator ziet die tekenen niet, dat maakt hem zwak. Ook de natuurkrachten zaaien dood en verderf. Nederlanders zijn daar kapot aan gegaan. In mijn bewerking streef ik heldere, hedendaagse taal na. Om recht te doen aan Couperus’ beeldrijke en soms barokke taal klinkt de stem van Hans Kesting als voice-over die passages uit de roman voorleest.”

Tijdens een repetitie in de schouwburg van Almere wijst Van Hove naar boven, naar een verborgen douchekop. „Kijk, in onze badkamerscène stroomt vanuit de hoogte het water als symbool van die macht van de natuur.” Het toneelbeeld van ontwerper Jan Versweyveld is geheel leeg, met slechts een lange tafel aan de ene zijde en daartegenover de hoek waar geluidskunstenaar en componist Harry de Wit met piano en een keur aan gongs, gamelan en bamboelatten muziek maakt. Hij heeft zijn vleugel voorzien van een pedaal waarmee hij in een keer valse tonen kan creëren als de piano naarmate de voorstelling vordert ontstemd raakt en de snaren door al dat vocht knappen.

De personages bewegen zich over een houten vlonder. Op een stoel op het voortoneel neemt Gijs Scholten van Aschat plaats als resident Otto van Oudijck. Zijn vrouw Leonie brengt hem te schande: uit verveling stort ze zich in erotische avonturen, niet alleen met haar stiefzoon, ook met de onweerstaanbare Indische jongeling Addy. Van Hove zegt tegen Van Aschat: „Van Oudijck is als een eik die langzaam knakt. Hij moet toegeven niet opgewassen te zijn tegen al die stille krachten die hem doen wegkwijnen, zoals de tegenstand van de bevolking, de aanhoudende regen en het noodlot dat zijn losbandige vrouw over hem afroept.”

Gehuld in ragfijn wit gewaad beweegt Halina Reijn zich als Leonie door het decor. „Ze is als een verveelde verwende kat die zich overal neervlijt waar ze maar wil”, zegt Reijn na afloop van de repetitie. „Om haar te spelen ben ik op zoek naar haar kern. Maar ze is mysterieus, ongrijpbaar.

„Couperus heeft eigenlijk een Griekse tragedie geschreven. Leonie is verliefd op haar stiefzoon, die ze ook nog eens van haar stiefdochter afpakt. Ook laat ze zich het hoofd op hol brengen door de beeldschone Addy. Die intriges maken de voorstelling spannend. Leonie maakt zonder gêne gebruik van haar koloniale privileges. Ik veroordeel haar niet, maar ik ben wel opgevoed door mijn ouders dat kolonialisme helemaal fout is – ik kom uit een links gezin. Fout in de zin dat wij, blanken, aan anderen onze wetten opleggen. Dat gebeurde toen, dat gebeurt nog steeds. Dagelijks worden we geconfronteerd met berichten over vluchtelingen die aan onze grenzen kloppen. Leonie heeft respect voor haar man, resident Van Oudijck. Hij is vlijtig, houdt zich aan regels en wil het volk verheffen. Maar voor zijn vrouw is de geheimzinnigheid, waar hij zo bang voor is, ook verleidelijk. Dat uit zich in haar hartstochtelijke overgave aan liefde voor de Javaanse jongen Addy.”

Die duistere liefde tussen blank en gekleurd is spelen met vuur. De badkamerscène bewijst dat. Deze scène kluisterde heel Nederland in 1974 aan de televisie met Pleuni Touw als Leonie, de eerste actrice die naakt op tv verscheen. Haar blanke, schuldige huid raakte roodgekleurd van sirih, rode pruimtabak, die een onzichtbare mond op haar spuwt. Halina Reijn: „Het is die scène die duidelijk maakt dat de stille kracht alle westerse beschaving wegvreet.”