Mijn relativeringsvermogen sijpelt weg achter mijn laptop

Ik probeer te bedenken of er een tijd was dat ik geen mening had. Ik bedoel niet de bewuste, meningloze staat waarin ik nu weleens beland om daarna te vinden dat ik even zo heerlijk zonder mening zat. Ik bedoel een moment in tijd – waarschijnlijk als kind ¬– dat de mening nog helemaal niets betekende.

Ik herinner me wel het groeiende begrip dat er onderscheid werd gemaakt tussen een mening en ‘opinie & debat’, zoals dat in de krant stond. Daarna het moment dat iedereen van mening bleek dat een mening en opinie niet van elkaar verschillen – behalve dat het laatste chiquer klinkt en dus een valsstrik is van de elite.

Als kind viel ik een keer bij het skaten. Ik schraapte mijn gezicht open en toog bloedend naar mijn moeder, die me op het aanrecht tilde en depte met jodium. De dagen daarna liep ik rond met een korstig gezicht en ik schaamde me, rood tussen de wonden. Toen ik dat aan mijn moeder vertelde, zei ze: „Daar heeft echt niemand een mening over.” Maar op het schoolplein werd ik met vertrokken gezichten aangestaard.

Ik leerde dat er een verschil was tussen een mening en gevoelsmatig ergens iets van vinden. Maatschappelijk bleek dat laatste ‘de onderbuik’ te heten. De onderbuik van het schoolplein zei: „Je ziet er goor uit.” Mijn moeder zei: „Die grimassen tonen empathie.”

Ik betrap mezelf er de laatste tijd op dat ik weleens denk: ‘iedereen vindt’. Maandag schreef ik nog dat iedereen de mannen die een bloedbad in de Thalys hadden voorkomen, helden vond. Maar wie is iedereen? Het was een iedereen dat ik kende van internet, met name sociale media. Op straat of met vrienden in gesprek, heb ik niemand over deze helden gehoord.

Nou ben ik geen fan van de Hollandse sluimertrots waarmee het huiselijke wordt gevierd als een gezellige idylle, maar ik zou bijna zeggen: waar is de huiskamer gebleven? Waar mensen het een en ander uitwisselen zonder dat direct publiek te maken? Waar, ook, is mijn eigen relativeringsvermogen? Het sijpelt weg achter het scherm van mijn laptop – en daar breng ik veel tijd door. Maar zodra ik op de fiets stap of over straat loop, is het er: het besef dat meningen nauwelijks bestaan. Er zit geen orgaan in mijn buik dat meningen uitscheidt. Ze vormen geen vuist tegen je kaak en worden niet door de wind gedragen. In de privé-uren concentreer ik me op mijn verlangend lichaam. Helder zat: zoenen met een mening voelt niet anders dan zoenen zonder mening.

Stel dat je een week lang turfde waar men het over had, maar dan niet op internet. Je mocht alleen zeggen: ‘iedereen zegt’ als je het uit de mond van iedereen had gehoord.

Een week lang zou ik de wind horen fluiten, fris.