Persoonsgebonden budget en de verwaarloosde burgers

De Nationale ombudsman trok al in mei de conclusie dat het met de uitbetaling van het persoonsgebonden budget, pgb, veel mis was. Velen gingen hem voor, dikwijls uit persoonlijke ervaring als het geld dat zij voor persoonlijke zorg mochten besteden, maar niet werd overgemaakt. Hulpverleners werden er mede de dupe van.

„Iedereen is zich hiervan nu wel bewust”, schreef ombudsman Reinier van Zutphen toen over de problemen. Dus verschoof hij de focus in zijn onderzoek naar de vraag: hoe kan er in de toekomst bij zulke grote operaties voor worden gezorgd dat er voldoende oog blijft voor het belang van de burger?

Dat het daaraan heeft ontbroken bij de verschuiving van verantwoordelijkheden voor het pgb naar gemeenten en Sociale Verzekeringsbank, maakte het rapport van de ombudsman gisteren andermaal duidelijk. Een treurige constatering. De verantwoordelijke bewindsman, staatssecretaris Martin van Rijn (Volksgezondheid, PvdA) en de Sociale Verzekeringsbank trokken gisteren maar weer eens het boetekleed aan. De temperatuur onder al die kleden moet zo behoorlijk oplopen. Dus is er waarschijnlijk volgende week het zoveelste debat in de Tweede Kamer over het pgb-systeem. Ongetwijfeld komt daarbij de vraag aan de orde of de gemeenten niet opnieuw onder te grote druk worden gezet, door ze te verplichten om de herbeoordeling van ‘overgangscliënten’ – zij vielen eerder onder een andere regeling – voor 1 oktober te hebben afgerond. Tijdsdruk is al te veel de makke geweest bij deze stelselwijziging.

De ombudsman heeft vijf criteria geformuleerd waaraan zulke grootschalige operaties moeten voldoen: de overheid moet zich grondig voorbereiden en goed samenwerken met de ‘ketenpartners’; de burger moet adequaat worden geïnformeerd en er moet naar hem/haar worden geluisterd; het systeem moet gebruiksvriendelijk zijn en de theorie moet met de werkelijkheid overeenkomen; bij uitbetalingen moet de continuïteit zijn gegarandeerd; vragen en problemen moeten op deskundige wijze worden behandeld. Hoewel dit geen revolutionaire idealen zijn – om niet te spreken van open deuren – stelt Van Zutphen vervolgens vast: op al deze punten is de overheid tekortgeschoten.

Enige relativering is wel op haar plaats. Organisaties houden in het algemeen niet van reorganisaties – een verschijnsel dat niet tot de overheid is beperkt. En er is geen garantie dat zonder tijdsdruk, mede door de gevoelde noodzaak van bezuinigingen, het met het pgb wel goed was gelopen. Maar het rapport van de ombudsman laat haarfijn zien wat er gebeurt als de overheid vergeet dat de burgers er niet voor het systeem zijn, maar het systeem er voor hen is.