Neem een ander woord, om de lieve vrede

Welke Nederlander verstaat de zin: „Abigail laadt haar caddie vol met brikken melk en brol”? Volgens mijn Nederlandse corrector: geen enkele. En dus laadt Abigail nu haar rolwagentje vol met kartonnen melk en rommel.

Een corrector is iemand die het manuscript meeleest en aanduidt waar zinnen volledig de mist ingaan, in welke paragraaf mijn Gilles de la Tourette opspeelt, waar ik stotter en vier keer hetzelfde woord gebruik in drie zinnen. Maar vooral ook: iemand die de Vlaamse woorden uit de tekst filtert en mij somtijds het gevoel geeft dat ik van een ander melkwegstelsel kom. Nederland en Vlaanderen drijven steeds verder uit elkaar, en ook het water tussen onze twee dialectische varianten lijkt soms te diep. Met het trouwboekje van onze taal moeten we proberen toch samen te blijven, al was het maar voor de geesteskinderen die we met elkaar willen delen. Vandaar heb ik al wat onverstaanbaar is voor één van de twee dialecten uit mijn manuscript Wat alleen wij horen gewied.

Mijn vorige roman Wij en ik was gesitueerd in Vlaanderen, waar de mensen volop mochten fezelen en pralines fretten in plaats van te fluisteren en bonbons te eten. Mijn nieuwe roman speelt zich af in een flatgebouw in een Europese grootstad. Ieder personage dat dus geen gegronde reden heeft om Vlaams te spreken: geen genade, heraus.

Er zijn veel woorden en uitdrukkingen waarvan ik zeker wist dat ze algemeen Nederlands waren. Toch niet. Vijzen? Wablief? vroeg mijn corrector. Schroeven dan? Oké, we verstonden elkaar weer. Palaveren? Neem een ander woord, was haar advies, om de lieve vrede. Tateren dan, vroeg ik? Neen, dat vond ze toch ook te Vlaams. Ah, je bent aan het zagen, zei ik verveeld. Maar dat verstond ze evenmin, de zeur. Vaak ben ik gecharmeerd door de directheid van de Nederlanders, door restaurants met namen als SuperLekker!, meubels van het merk Moooi, en doekjes voor baby’s geheten snoetenpoetsers. Voor zoveel ongegeneerde, assertieve eerlijkheid moet je bij de Nederlanders zijn. Maar soms neigt de Nederlandse drang om alles letterlijk te benoemen naar autisme. „Erin zit in de douche”, daarbij opperde de corrector verbaasd: wat zit die daar dan te doen, in een douche sta je toch recht?

Een ander woordje kiezen, een uitdrukking bijsturen, tot daar aan toe. Maar soms doet het botsen van de twee varianten van onze taal echt pijn. Bijvoorbeeld als daardoor een hele seksscène, waar klanken en ritme behoorlijk belangrijk zijn, van alle lust gestript wordt. „Nog, nog”, moest van de corrector worden „nog meer, nog meer”. Dus ook tussen de lakens zijn Nederlanders grotere praters. Allemaal goed en wel, maar mijn hoogtepunt was verprutst.

Ondanks al deze euhm ongemakjes, blijf ik de Nederlanders graag zien, niet letterlijk maar als in ‘houden van’. Salut en de kost.