Komt het ‘internet der dingen’ nu een stap dichterbij?

Amsterdam heeft een nieuw gratis draadloos internetnetwerk, speciaal voor dingen: van een vochtdetector voor grachtenbootjes tot een hondenband met gps.

Illustratie Bjorn Gort Illustratie Bjorn Gort

Wie kijkt er uit naar het veelgehypete internet of things? Weinig mensen sluiten hun televisie op internet aan. De op internet aangesloten koelkast, het standaardvoorbeeld van tien jaar geleden, zorgt hooguit voor wat gegrinnik. Tegelijkertijd kan bijna niemand meer zonder een smartphone en hebben steeds meer auto’s standaard een mobiele verbinding. Philips’ met een app bestuurbare Hue-lampen en de internettende thermostaten van Googles dochter Nest worden echt verkocht.

Toch: om voorwerpen soepel online te krijgen ontbreekt er nog iets. Een halsband voor honden of katten met gps-plaatsbepaling zou bijvoorbeeld best handig kunnen zijn. Zo zou je eenvoudig weggelopen dieren kunnen opsporen. Maar op dit moment zou daarvoor in de halsband een simkaart met een data-abonnement moeten zitten, wat zo’n product voor veel baasjes te duur maakt. Dit geldt voor veel internettende dingen buiten het bereik van de thuis-wifi.

De oplossing

Internetondernemer Wienke Giezeman (eerder betrokken bij de video-app WappZapp) denkt dit probleem te hebben opgelost. Een maand of twee geleden ontdekte hij een techniek die een soort wifi-hotspots mogelijk maakt met een veel groter bereik dan een thuisnetwerk: een kilometer of tien.

De apparatuur daarvoor kost ongeveer twaalfhonderd euro per toegangspunt. Het gaat om een kastje dat een ‘gateway’ wordt genoemd en aangesloten wordt op de internetverbinding van bijvoorbeeld een bedrijf. De techniek heet LoRaWAN (Long Range Wide Area Network) en is zuinig met energie. Internettende dingen zouden tot drie jaar met een batterij kunnen doen.

Twaalfhonderd euro is weinig om draadloos internet te leveren aan zo’n groot gebied. Daar staat tegenover dat er weinig bandbreedte is per draadloos aangesloten apparaat: ongeveer tien kilobit per seconde, een fractie van wat de inbelmodems van de jaren negentig presteerden. „De meeste dingen die een internetverbinding nodig hebben, hebben genoeg aan tien kilobit”, zegt Giezeman. Dingen kijken immers geen video.

In amper vier weken heeft Giezeman een stichting opgericht, The Things Network, en dertien bedrijven zo ver gekregen dat ze belangeloos zo’n gateway hebben aangeschaft. Daaronder KPMG, Deloitte, de Beurs van Berlage, Havenbedrijf Amsterdam, internetbedrijf The Next Web, start-upbegeleider Rockstart, debatcentrum De Waag en kantorencentrum Boven de Balie.

„Wij vinden het geweldig zulke initiatieven te omarmen”, zegt Boris Veldhuijzen van Zanten, oprichter en directeur van The Next Web, op zijn eigen site. „Een open en vrij internet of things voor de mensen en door de mensen past precies bij onze overtuiging.”

Dekking in heel Amsterdam

Met dertien toegangspunten heeft vrijwel heel Amsterdam dekking. Elke burger kan kosteloos zoveel internettende apparaatjes aansluiten als hij wil, met de kanttekening dat elke gateway maximaal tienduizend verbindingen aankan. Voorlopig moet dat genoeg zijn, denkt Giezeman.

Waarvoor zouden we dat netwerk precies gebruiken? Giezeman: „We hebben een typisch Amsterdamse toepassing ontwikkeld: een bal met een vochtdetector, die booteigenaren kunnen achterlaten op de bodem van hun boot. Als er water op de bodem staat, slaat de bal via internet alarm en kan de booteigenaar ingrijpen.” Het idee komt van de Amsterdamse botenreddingsdienst HoosjeBootje, die ook goed is voor een eigen gateway.

Nu het netwerk er is, is de hoop dat bedrijven en particulieren zelf toepassingen gaan ontwikkelen. Giezeman: „Ik verwacht veel verrassende ideeën. Daarvoor moeten we wel het netwerk op meer plaatsen van de grond krijgen. En het moet gratis en algemeen toegankelijk zijn.”

Uitbreiding

Ontwerpbedrijf Tweetonig uit Rotterdam had al voor Giezemans plan een gateway ontwikkeld voor privépersonen, die maar tweehonderd euro kost. Het bereik van deze light-variant is nog altijd vijf kilometer, genoeg voor een compleet dorp. Tweetonig en The Things Network werken nu samen. Giezeman hoopt dat het netwerk zich zo uitbreidt over het hele land.

De goedkope gateway wordt binnenkort gelanceerd via een crowdfundingcampagne op Kickstarter, evenals een elektronicakit van veertig euro waarmee doe-het-zelvers eigen dingen op internet kunnen aansluiten. Alle informatie over deze producten wordt op de opensourcesite GitHub gezet, zodat ook andere knutselaars ermee aan de slag kunnen.

Giezeman heeft vooralsnog geen verdienmodel. „Mijn eerste streven is om The Things Network groot maken”, vertelt hij. „Het netwerk zelf moet open en gratis blijven, maar er valt in de toekomst vast te verdienen aan toepassingen, diensten, databases of advies.”

Of het echt groot wordt? Het enthousiasme onder ondernemers rond Giezeman doet denken aan het elan dat er was bij ingewijden in de vroege dagen van het internet. Maar de massale publieksdeelname zoals die ontstond bij het web, het mobiele internet of de sociale netwerken, moet bij het internet der dingen nog beginnen.

Enthousiasme bij bedrijven en ondernemers voor een nieuwe technologie hoeft niet automatisch te betekenen dat het grote publiek volgt. Denk aan de virtuele wereld van Second Life, dat iedereen intussen vergeten is. Het kan dus nog alle kanten op.